De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering tot overlevering van een persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten. Het EAB betreft een strafrechtelijk onderzoek wegens diefstal door meerdere personen met braak. De opgeëiste persoon werd verdacht van dit strafbare feit en verbleef op het moment van de procedure in Nederland.
De verdediging voerde een onschuldverweer aan door te stellen dat de opgeëiste persoon zich ten tijde van het strafbare feit in Marokko bevond, ondersteund door reisdocumenten en detentiestempels. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende bewijs vormden om het onschuldverweer tijdens de zitting te staven, mede omdat het Duitse strafdossier niet beschikbaar was. De rechtbank wees het verzoek tot schorsing van de behandeling af.
Verder werd vastgesteld dat de overlevering alleen kan plaatsvinden indien het feit ook strafbaar is volgens Nederlands recht, wat hier het geval is. De Duitse autoriteiten gaven tevens een garantie dat, indien de opgeëiste persoon in Duitsland tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland mag ondergaan. De rechtbank achtte deze garantie voldoende.
Gelet op het voldoen aan de wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.