ECLI:NL:RBAMS:2018:8943

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 november 2018
Publicatiedatum
12 december 2018
Zaaknummer
13/751452-18
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 Wetboek van StrafrechtArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLW
Verwijzingen
20 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 november 2018 een vordering tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de rechtbank van Lille, Frankrijk. De verdachte, een Nederlandse staatsburger, wordt verdacht van illegale handel in verdovende middelen, strafbaar gesteld onder het Franse recht en opgenomen in bijlage 1 van de Overleveringswet (OLW).

De rechtbank bevestigde de identiteit van de verdachte en onderzocht de strafbaarheid van de feiten onder Nederlands recht, waarbij werd vastgesteld dat deze overeenkomen met het medeplegen van handelen in strijd met de Opiumwet. Het onschuldverweer van de verdachte werd afgewezen omdat hij zijn onschuld niet kon aantonen en het verzoek om het horen van zijn partner werd geweigerd.

De rechtbank nam kennis van de garantie van de Franse autoriteiten dat, indien de verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, deze in Nederland kan worden uitgezeten. Tevens werd de mogelijke weigeringsgrond van artikel 13 OLW Pro, vanwege gedeeltelijke gepleegde feiten op Nederlands grondgebied, verworpen op basis van een marginale toetsing en argumenten van de officier van justitie.

Betreffende de detentieomstandigheden in Frankrijk, wees de rechtbank het verweer af dat er een reëel gevaar bestaat op onmenselijke behandeling, mede op grond van de toezegging dat de verdachte niet in het detentiecentrum te Nîmes zal worden geplaatst. Uiteindelijk werd de overlevering toegestaan en de afgifte van in beslag genomen voorwerpen bevolen.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan Frankrijk toe en beveelt de afgifte van in beslag genomen voorwerpen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751452-18
RK-nummer: 18/3978
Datum uitspraak: 1 november 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 21 juni 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2018 door de Openbare Aanklager bij de rechtbank van Lille (Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,
verblijvend op het adres [BRP-adres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel afgegeven op 27 februari 2018 door de onderzoeksrechter bij de rechtbank van Lille, referentie: parketnummer 18046000240 en dossiernummer JICABJI618000008.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aanstonds kunnen aantonen. Het verzoek om het horen van zijn partner is afgewezen. Een verklaring van zijn partner zou zijn onschuld niet onomstotelijk kunnen aantonen, nu het onder meer om de mate van betrokkenheid gaat en de in de EAB omschreven feiten op verschillende data zouden zijn gepleegd. Nader onderzoek door de Franse autoriteiten is vereist.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De Hoofdofficier van Justitie van de Arrondissementsrechtbank te Lille heeft op 26 juli 2018 de volgende garantie gegeven:
Naar aanleiding van uw verzoek van 26 juli 2018 om garanties in dit dossier vormt dit document een terugkeergarantie. Frankrijk heeft met de richtlijn 2013-711 van 5 augustus 2013 het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2008 ten uitvoer gelegd inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafrechtelijke beslissingen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.
Dat wil zeggen dat ingeval [naam opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] , door de strafkamer van de rechtbank te Lille veroordeeld zou worden voor feiten van drugssmokkel, ten grondslag liggend aan dit Europese aanhoudingsbevel, het nodige gedaan zal worden voor de samenwerking betreffende de overbrenging van personen en zal betrokkene naar Nederland gestuurd worden om daar zijn gevangenisstraf uit te zitten. Deze overbrenging naar de Nederlandse grens zal geschieden op kosten van de Franse autoriteiten.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.
De onder 4 bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten onder meer kwalificeert als ‘invoer zonder declaratie bij de douane vooraf van goederen die gevaarlijk zijn voor de volksgezondheid (verdovende middelen)’ doet hier niet aan af. Anders dan de officier van justitie neemt de rechtbank de feitomschrijving en niet de kwalificatie tot uitgangspunt.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.
De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:
  • het onderzoek is in Frankrijk aangevangen;
  • de bewijsmiddelen bevinden zich in Frankrijk;
  • de verdovende middelen zijn in Frankrijk in beslag genomen;
  • een medeverdachte werd in Frankrijk aangehouden.
Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.
De rechtbank stelt voorop dat artikel 13, tweede lid, OLW haar slechts een marginale toetsing van de vordering van de officier opdraagt en voor een verdergaande beoordeling geen ruimte biedt. Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8.Detentieomstandigheden in Frankrijk

De raadsman heeft betoogd, zakelijk weergegeven, dat er een reëel gevaar bestaat dat personen die in Frankrijk worden gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). De beslissing op het overleveringsverzoek moet daarom worden uitgesteld in afwachting van concrete informatie van de Franse autoriteiten over de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon na een eventuele overlevering.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het verweer niet kan slagen.
In zijn arrest van 5 april 2016, ECLI:EU:C:2016:198 (Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen.
Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen (Aranyosi en Căldăraru, punten 88-89).
De rechtbank is onder meer bij uitspraak van 17 augustus 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:6648, ingegaan op de detentieomstandigheden in Frankrijk. Daarbij is vastgesteld dat uit de objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over Frankrijk blijkt dat er een reëel gevaar bestaat dat gedetineerden in het huis van bewaring te Nîmes wegens ruimtegebrek onmenselijk of vernederend worden behandeld. Niet is gebleken van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over Frankrijk die nopen tot het oordeel dat de detentieomstandigheden op andere plaatsen dan in Nîmes eveneens niet met het Handvest in overeenstemming zijn.
Bij brief van 18 oktober 2018 heeft
le Procureur de la République de Lillemeegedeeld dat de opgeëiste persoon onder geen enkele omstandigheid in Nîmes zal worden geplaatst. Naar het oordeel van de rechtbank kan zodoende worden geoordeeld dat in het geval van de opgeëiste persoon geen sprake zal zijn van een met artikel 4 van Pro het Handvest strijdige situatie. De rechtbank wijst daarom het verzoek om de beslissing op het overleveringsverzoek uit te stellen af en verwerpt het verweer.

9.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.
Daaruit volgt dat de afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden bevolen.

10.Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 47 Wetboek Pro van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6, 7, 13, 49 en 50 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[naam opgeëiste persoon]aan de Openbare Aanklager bij de rechtbank van Lille ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
BEVEELTde afgifte van de in beslag genomen voorwerpen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. V.V. Essenburg en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 november 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.