ECLI:NL:RBAMS:2018:9056

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 november 2018
Publicatiedatum
14 december 2018
Zaaknummer
13/751681-18
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 OLWArt. 22 OLWArt. 29 OLWArt. 466 Code of Criminal Procedure RoemeniëArt. 467 Code of Criminal Procedure Roemenië
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering op grond van artikel 12 Overleveringswet wegens onvoorwaardelijke verzetgarantie

De rechtbank Amsterdam behandelde op 16 november 2018 de vordering van de officier van justitie tot overlevering van een persoon aan Roemenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de 4th District Court of Bucharest. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van één jaar opgelegd bij een vonnis dat in afwezigheid van de verdachte is gewezen.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de opgeëiste persoon en de inhoud van het EAB, waarbij met name de vraag centraal stond of voldaan werd aan de voorwaarden van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW) betreffende de verzetgarantie bij een in absentia vonnis. Hoewel het EAB een verzetgarantie vermeldde, concludeerde de rechtbank dat deze niet onvoorwaardelijk was, mede door onduidelijkheden in de formulering en de feitelijke omstandigheden van de dagvaarding en vertegenwoordiging.

De raadsvrouw van de opgeëiste persoon betoogde dat de verzetgarantie onvoldoende duidelijk was, terwijl de officier van justitie stelde dat de garantie wel was gegeven. De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon wel degelijk was gedagvaard en dat de wettelijke voorwaarden voor een onvoorwaardelijke verzetgarantie niet waren vervuld. Hierdoor was de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing.

De rechtbank besloot daarom de overlevering te weigeren en de overleveringsdetentie op te heffen. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering van de opgeëiste persoon wegens het ontbreken van een onvoorwaardelijke verzetgarantie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751681-18
RK nummer: 18/6205
Datum uitspraak: 16 november 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 september 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 28 juni 2018 door de
4th District Court of Bucharest(Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1978,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam en locatie PI] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 2 november 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. S.M. Hoogenraad, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Roemeense taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
criminal sentence no. 2528/09.10.2017 issued by the 4th District Court of Bucharest, final on 07.11.2017 by the lack of appeal, case file no. 7308/4/2017.
Tevens wordt melding gemaakt van een
imprisonment warrant no. 4757/2017/07.11.2017 issued by the 4th District Court of Bucharest based on the criminal sentence no. 2528/09.10.2017.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd vonnis.
3.1.
Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro
3.1.1.
Inhoud van de stukken
Onderdeel d) van het EAB houdt onder meer het volgende in:
Indicate if the person appeared in person at the trial which resulted in judgment rendered:
(…)
2. X No, the person in question was not present at the trial which resulted in the pronouncement of the decision, but this was represented by a lawyer ex officio.
3. If you have ticked out the box at point 2, please confirm the existence of one of the following elements:
3.1a The person in question has been cited personally at the residences indicated by him in the criminal prosecution phase and therefore has been informed of the date and place of the trial which resulted in the decision and was informed that a decision may be rendered if not present at the trial;
Also, during the trial this was represented by a counsel for the defense ex officio;
(…)
or
the person did not request a retrial or appeal within the appropriate time.
Or
3.4
X the person in question has not been handed over the court order in person, but:
(…)
the person shall be informed regarding the period in which he must request a new judgment of the case or the promotion of an appeal, which is 1 month.
In reactie op vragen van het Openbaar Ministerie heeft de
4th District First Instance Court of Bucharest – Criminal Divisonbij brief van 31 oktober 2018 het volgende laten weten:
(…)
Regarding section D of EAW, we would like to inform you that the defendant did not appear in court to be heard and propose evidence for his defence, although he was repeatedly summoned at his address and by means of an order to an offender to appear.
(…)
According to the report drawn up by the law enforcement body responsible for the enforcement of the order to the defendant to appear, drawn up on 8 September 2017 (for the court hearing of 11 September 2017), it has resulted that only the mother of the defendant, the above mentioned [moeder opgeëiste persoon] , who mentioned that she broke off from her son, because he had been abroad for 2 years, was found at the mentioned address. In this case, checks in the records of the National Administration of Penitentiaries revealing that the defendant was not incarcerated in any Romanian prison after having committed the offence, and checks in the database of the Directorate of Personal Records and Database Management, resulting that the person in question is registered with the same address where he was summoned, were also conducted.
Also, the person in question is entitled to new criminal proceedings conducted in his presence, if he requests a new judgment of the case within the period provided by the domestic law, namely 1 month. The conviction shall be handed over to the convicted person after his surrender, according to article 466 paragraph 3 of the Code of Criminal Procedure.
Relevant laws
Article 466 of the Code of Criminal Procedure - Reopening criminal proceedings in case of an in absentia trial of the convicted person
(1) The person with a final conviction, who was tried in absentia, may apply for the criminal proceedings to be reopened no later than one month since the day when informed, through any official notification, that criminal proceedings took place in court against them.
(2) The convicted person who was not summoned to appear in court and had not been informed thereof in any other official manner, respectively, the person who even though aware of the criminal proceedings in court, was lawfully absent from the trial of the case and unable to inform the court thereupon, is deemed as tried in absentia. The convicted person who had appointed a retained counsel or a representative shall not be deemed tried in absentia if the latter appeared at any time during the criminal proceedings in court and neither shall the person who, following the notification of the conviction verdict, according to the law, did not file an appeal, waived filing an appeal or withdrew their appeal.
(3) In the case of the person with a final conviction, tried in absentia, related to whom a foreign state ordered extradition or surrender based on the European arrest warrant, the time frame provided under paragraph (1) shall begin from the date when, following their bringing into country, they receive the conviction verdict.
(4) The criminal proceedings in court may not be reopened when the convicted person had applied to be tried in absentia.
(5) The provisions of the previous paragraphs shall apply accordingly to the person against whom a court ruling was returned to waive the service of the penalty or to postpone the service of the penalty.
Article 467 of the Code of Criminal Procedure - The application to reopen the criminal proceedings in court
(1) The application to reopen the criminal proceedings in court may be submitted by the person tried in absentia and shall be filed with the court that tried the case in absentia as a court of first instance.
(2) When the person tried in absentia is deprived of liberty, the application may be submitted with the administration of the penitentiary, that shall refer it as soon as possible to the jurisdictional court.
(3) The application shall be put in writing and must be reasoned as related to the fulfilment of the requirements provided under Article 466.
(4) The application may be accompanied by co pies of the documentary evidence which the person tried in absentia understands to use during the court proceedings, certified as copies of the original. When the documents are written in a foreign language, they shall be accompanied by their translation.
(5) When the application fails to meet the requirements provided under paragraphs (3) and (4), the court notifies the author of the application that they should supplement it no later than the date of the first court hearing or, as the case may be, in a short time frame, as determined by the court.
3.1.2.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat niet vaststaat dat de verstrekte verzetgarantie een onvoorwaardelijke garantie is. In het EAB zijn sommige zinsneden vetgedrukt, andere zijn onderstreept of aangeduid met een kruis. Dit maakt onduidelijk welke passages in deze zaak van toepassing zijn en kan er wellicht toe leiden dat een verzetprocedure – wanneer de opgeëiste persoon is overgeleverd – niet gegarandeerd is.
3.1.3.
Standpunt van de officier van justitie
Blijkens het EAB en de aanvullende informatie staat vast dat de opgeëiste persoon niet ter terechtzitting is verschenen, niet in persoon is gedagvaard, niet is bijgestaan door een gemachtigd raadsman en aldus de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro van toepassing is. Deze situatie leidt in andere zaken niet tot een verzetgarantie. Echter, zowel in het EAB als in de aanvullende informatie is een uitdrukkelijke verzetgarantie gegeven. Gelet op de formulering kan er in dit geval van worden uitgegaan dat de rechter het meent.
3.1.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het vonnis heeft geleid, en dat vonnis - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12 sub a tot Pro en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12 sub d OLW Pro mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan indien de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de verklaring in onderdeel d) van het EAB niet aan de eisen van artikel 12 sub d OLW Pro.
Hiertoe overweegt de rechtbank dat in de aanvullende informatie weliswaar wordt medegedeeld dat “
the person in question is entitled to new criminal proceedings conducted in his presence, if he requests a new judgment of the case within the period provided by the domestic law, namely 1 month”, maar dat voorts de relevante wetsartikelen zijn opgenomen, waaruit het volgende blijkt. Ingevolge lid 1 van artikel 446 van Pro het Roemeense Wetboek van Strafvordering kan alleen een onherroepelijk veroordeelde “
who was tried in absentia” een verzetprocedure beginnen. Lid 2 van voornoemd artikel bepaalt voorts dat een veroordeelde wordt beschouwd als
tried in absentiaindien hij niet is gedagvaard en niet op een formele wijze van de zitting op de hoogte is gebracht. Echter, gelet op het EAB en de aanvullende informatie is de opgeëiste persoon in onderhavige zaak wel degelijk gedagvaard. Daarom lijkt niet te zijn voldaan aan de eis van artikel 466 lid 2 van Pro het Roemeense Wetboek van Strafvordering, hetgeen aan een geslaagd beroep op artikel 466 lid 1 van Pro dit artikel in de weg te staat.
De rechtbank is daarom van oordeel dat – ongeacht de formulering in het EAB en de aanvullende informatie – geen sprake is van een onvoorwaardelijk recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep.
Aldus is de in artikel 12 OLW Pro bedoelde weigeringsgrond van toepassing.
4.
Toepasselijke wetsbepalingen
De artikelen 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

5.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
4th District Court of Bucharestten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat;
HEFT OP de overleveringsdetentie (het bevel tot inverzekeringstelling).
Aldus gedaan door
mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,
mrs. C.A. van Dijk en R.A.J. Hübel, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 16 november 2018.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.