ECLI:NL:RBAMS:2018:9366

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 november 2018
Publicatiedatum
21 december 2018
Zaaknummer
13-752062-17 RK 18-5951
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van overlevering aan Hongarije op basis van niet-naleving van dagvaardingseisen

Op 8 november 2018 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de overlevering van een opgeëiste persoon aan Hongarije. De rechtbank heeft de overlevering geweigerd op grond van de Overleveringswet (OLW). De vordering tot overlevering was ingediend door de officier van justitie en betrof een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door het Pécs Regional Court op 4 augustus 2017. De opgeëiste persoon, geboren in Hongarije in 1981, was gedetineerd in Nederland en had geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.

Tijdens de zitting op 23 oktober 2018 werd de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, voerde aan dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij de zittingen die leidden tot het vonnis van 13 november 2014 van het Mohács District Court. De rechtbank heeft de behandeling van de zaak geschorst om aanvullende informatie van de Hongaarse autoriteiten te verkrijgen. Op 8 november 2018 werd de zitting voortgezet, waarbij de rechtbank opnieuw de identiteit van de opgeëiste persoon bevestigde.

De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende bewijs was dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon was gedagvaard voor de zittingen in Hongarije. Dit was in strijd met de eisen van de OLW, die vereisen dat de opgeëiste persoon op de hoogte moet zijn van de zitting en de mogelijkheid van een vonnis. Aangezien niet was gebleken dat aan de voorwaarden van artikel 12 OLW was voldaan, werd de overlevering geweigerd. De rechtbank heeft tevens de overleveringsdetentie opgeheven en verklaard dat er geen gewoon rechtsmiddel openstaat tegen deze uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/752062-17
RK nummer: 18/5951
Datum uitspraak: 8 november 2018
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 31 augustus 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 augustus 2017 door de
Pécs Regional Court(Hongarije) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Hongarije) op [geboortedag] 1981,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in het [detentieadres]
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

Zitting 23 oktober 2018De vordering is behandeld op de openbare zitting van 23 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. R. Vorrink.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. I.R. Rigter, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Hongaarse taal.
De rechtbank heeft het onderzoek geschorst tot 8 november 2018, 09:00 uur in afwachting van beantwoording van de vragen die de officier van justitie aan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gesteld met betrekking tot ‘judgment No. 4.B.351/2010/28 of Siklós City Court’.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Zitting 8 november 2018Met toestemming van partijen heeft de rechtbank in andere samenstelling het onderzoek voortgezet op 8 november 2018. Daarbij zijn de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel en de opgeëiste persoon en zijn raadsman gehoord, met bijstand van een tolk in de Hongaarse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon opnieuw onderzocht.
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Hongaarse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
judgment No. 1.B.30/2014/18van 13 november 2014 van
the Mohács District Court.
Referentie: Pécs Regional Court No. Szv. 57/2015.
In het EAB wordt vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en vijf maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Het betreft een cumulatief vonnis.
Met dit vonnis kwam een eind aan de voorwaardelijke invrijheidstelling met betrekking tot een ‘judgment’ No. 4.B.351/2010/28 van Siklós City Court.
Opgelegd zijn de volgende vrijheidsstraffen:

imprisonment’voor de duur van één jaar en vijf maanden;

jail’voor de duur van vijf maanden, waarvan nog één maand en zeven dagen resteren.
Dit vonnis heeft betrekking op vier feiten zoals omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.De weigeringsgrond van artikel 12 OLW

De opgeëiste persoon heeft bestreden dat hij aanwezig zou zijn geweest bij de zitting die heeft geleid tot het judgment van 13 november 2014 van de
Mohács District Court. Om dit standpunt te onderbouwen heeft de raadsman drie processen-verbaal van zittingen van het
Mohács District Court,opgemaakt op respectievelijk 28 mei 2014, 3 juli 2014 en 13 november 2014 (de datum van het vonnis) overgelegd.
Uit deze processen-verbaal blijkt dat de opgeëiste persoon in het geheel niet op de zittingen is verschenen en dat een door de Staat benoemde advocaat op de derde zitting aanwezig was.
Op grond van de processen-verbaal is niet vast te stellen dat de opgeëiste persoon tijdig en in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter terechtzitting die tot de beslissing heeft geleid of anderszins daadwerkelijk officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de behandeling ter terechtzitting, zodat op ondubbelzinnige wijze vast staat dat hij op de hoogte was van de voorgenomen terechtzitting en ervan in kennis is gesteld dat een vonnis kan worden gewezen wanneer hij niet ter terechtzitting verschijnt.
Uit de antwoorden leidt de rechtbank verder af dat het ‘judgment’ No. 4.B.351/2010/28 van
Siklós City Courtbetrekking had op een ander eerder gepleegd feit en dat de in dat vonnis opgelegde voorwaardelijke straf in het latere vonnis van de rechtbank Mohacs is omgezet in een onvoorwaardelijke straf. Nu de overlevering niet wordt verzocht voor het vonnis van de rechtbank van Siklos, is dit vonnis niet van belang voor de beoordeling.

5.Slotsom

Nu niet is gebleken dat zich een van de in artikel 12 a tot en met c OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en geen garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12 onder d, 1e en 2e OLW, is de weigeringsgrond van artikel 12 OLW aan de orde en moet de overlevering worden geweigerd.

6.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 Overleveringswet.

7.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan de
Pécs Regional Court(Hongarije) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
HEFT OPde overleveringsdetentie, in casu het bevel tot bewaring.
Aldus gedaan door
mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,
en direct uitgesproken ter openbare zitting van 8 november 2018.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.