Eiseres, een zelfstandig ondernemer en uitvoerend directeur van een besloten vennootschap, ontving een bijstandsuitkering op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz) over 2016. Verweerder stelde het inkomen vast op basis van de administratie van eiseres, waarbij twee facturen uit december 2016 werden meegenomen volgens het factuurstelsel. Dit leidde tot een terugvordering van €11.008,77.
Eiseres voerde aan dat de facturen niet tot het inkomen van 2016 behoren omdat de werkzaamheden pas in 2017 zouden starten en dat bedrijfskosten in mindering gebracht moesten worden. Ook stelde zij dat het verzamelinkomen volgens de belastingaanslag lager was. Verweerder verwees naar de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, die het factuurstelsel als uitgangspunt neemt en het inkomen over het gehele boekjaar laat meewegen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het inkomen heeft vastgesteld op basis van de administratie over 2016 volgens het factuurstelsel. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd welke bedrijfskosten in mindering gebracht hadden moeten worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.