ECLI:NL:RBAMS:2019:10054

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 december 2019
Publicatiedatum
21 januari 2020
Zaaknummer
13/751810-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 157 SrArt. 311 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLW
Verwijzingen
11 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens georganiseerde diefstal

De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 december 2019 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Duitsland, op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Nürnberg. De opgeëiste persoon wordt verdacht van georganiseerde of gewapende diefstal, strafbaar gesteld onder Duits recht met een maximale vrijheidsstraf van ten minste drie jaar.

De opgeëiste persoon ontkende de betrokkenheid bij de feiten en stelde dat hij op de dag van de feiten in Nederland aan het werk was. Zijn raadsman overhandigde bewijsstukken ter ondersteuning van dit onschuldverweer. De rechtbank oordeelde echter dat de onschuld niet aanstonds was aangetoond en dat dit verweer in de Duitse procedure aan de orde moet komen.

De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat de benodigde garanties voor strafuitvoering in Nederland zijn gegeven. Gezien het voldoen aan de voorwaarden van de Overleveringswet en het ontbreken van weigeringsgronden, besloot de rechtbank de overlevering toe te staan.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751810-19
RK nummer: 19/6153
Datum uitspraak: 12 december 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 23 oktober 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 23 augustus 2019 door het
Amtsgericht Nürnberg(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 10 december 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. J.M. van Dam, advocaat te Utrecht.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het
Amtsgericht Nürnbergvan 23 augustus 2019 met dossiernummer 58 Gs 8435/19.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:
Georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten.
Zijn raadsman heeft aangevoerd dat de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten slechts is gebaseerd op het feit dat de vluchtauto steeds door de opgeëiste persoon met de creditcard van zijn zwager zou zijn gehuurd. Om de onschuld van de opgeëiste persoon te bewijzen heeft de raadsman stukken overgelegd waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon op de dag van de feiten voor zijn baas in Nederland aan het werk was en zich derhalve niet in Duitsland bevond. De opgeëiste persoon heeft de feiten daarom niet kunnen begaan.
De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat de onschuld van de opgeëiste persoon niet aanstonds is aangetoond. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat de opgeëiste persoon de feiten onmogelijk kan hebben gepleegd. Deze onschuldbewering moet in de Duitse procedure aan de orde worden gesteld.
De ter zitting gevoerde onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering. Het verweer wordt verworpen.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Der Leitende Oberstaatsanwalt in Nürnberg-Fürthheeft op 23 oktober 2019 de volgende garantie gegeven:
Zover de vervolgde na zijn rechtsgeldige veroordeling door een Duitse rechtbank aan zijn retouroverdracht ter strafexecutie naar Nederland heeft ingestemd, wordt beloofd dat hij de straf daar kan uitzitten.
Bij schrijven van 29 november 2019 is die garantie als volgt bevestigd:
Indien de vervolgde na zijn rechtsgeldige veroordeling door een Duitse rechtbank instemt met zijn terugoverdracht voor de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland wordt toegezegd dat:
1.
hij de straf daar kan uitzitten
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor vermelde garanties voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, meermalen gepleegd.
diefstal door twee of meer verenigende personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 157 en 311 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Amtsgericht Nürnberg(Duitsland).
Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. J.A.A.G. de Vries en R. Godthelp, rechters,
in tegenwoordigheid van S.P.F. Sneeboer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 12 december 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.