ECLI:NL:RBAMS:2019:10328
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onduidelijkheid berekening
De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie vorderde aanvankelijk €79.710,10, later verlaagd tot €49.338,-, met een voorstel tot matiging tot €40.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. De verdediging betwistte de hoogte van het bedrag en stelde aftrekposten voor.
De rechtbank constateerde onduidelijkheden over de wettelijke grondslag van de vordering, waarbij de officier van justitie zich baseerde op lid 3 van artikel 36e Sr, terwijl het financiële rapport leek te zijn opgesteld volgens lid 2. Ook was onduidelijk welke rekenmethode was gehanteerd; de officier van justitie sprak van een kasopstelling, maar kenmerken hiervan ontbraken en er leek sprake van een transactieberekening.
Verder ontbraken essentiële toelichtingen over de selectie van bankrekeningen en stortingen die in de berekening waren meegenomen. De rechtbank kon daardoor niet op verantwoorde wijze de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen. Gezien het herstelkarakter van de maatregel en het recht van de veroordeelde op verweer, oordeelde de rechtbank dat de vordering niet kon worden toegewezen en wees deze af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheden in de berekening.