Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 22 augustus 2018 met de daarin vermelde (proces)stukken,
- de akte na tussenvonnis van [gedaagde] ,
- de antwoordakte na tussenvonnis van [eiseres] .
Rechtbank Amsterdam
In deze civiele procedure staat de verdeling van het vermogen van een vennootschap onder firma (vof) centraal tussen eiseres en gedaagde, voormalige vennoten. De rechtbank heeft eerder in een tussenvonnis geoordeeld dat de peildatum voor de verdeling niet de formele ontbindingsdatum is, maar de datum waarop partijen feitelijk de samenwerking beëindigden, te weten 4 juli 2006.
Gedaagde heeft betoogd dat de formele ontbindingsdatum van 3 oktober 2013 als peildatum moet gelden, onder meer vanwege zijn werkzaamheden en verantwoordelijkheid binnen de vof. De rechtbank oordeelt echter dat deze stellingen onvoldoende zijn onderbouwd en dat het feitelijk uiteengaan van partijen leidend is. Ook het beroep van gedaagde op rechtsverwerking faalt wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.
Verder is vastgesteld dat de geldlening privé is aangegaan en geen schuld van de vof betreft. Gedaagde is daarom gehouden de helft van de door eiseres betaalde aflossing en rente te vergoeden, een bedrag van €52.931,13, vermeerderd met wettelijke rente. Daarnaast wordt gedaagde veroordeeld tot betaling van beslagkosten van €823,22. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van de helft van de geldlening en beslagkosten en stelt de verdeling van het vermogen van de vof bij helfte vast per de feitelijke beëindigingsdatum.