ECLI:NL:RBAMS:2019:1376
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in vordering tot in behandeling nemen Europees aanhoudingsbevel wegens overschrijding redelijke termijn
De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering op grond van artikel 23 van Pro de Overleveringswet betreffende de in behandeling neming van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door een Roemeense rechter. De zaak betrof een opgeëiste persoon die werd verdacht van strafbare feiten in Roemenië. Na een eerste zitting in juli 2017 werd de beslissing over de overlevering uitgesteld vanwege ernstige vermoedens van schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met betrekking tot de detentieomstandigheden in Roemenië.
De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak meerdere malen verlengd, maar constateerde dat ruim anderhalf jaar na de tussenuitspraak van juli 2017 geen individuele garantie was verstrekt door de Roemeense autoriteiten om het risico op onmenselijke of vernederende behandeling weg te nemen. De officier van justitie kon geen nieuwe relevante ontwikkelingen aandragen.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn voor het doen van uitspraak was overschreden en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Tevens werd de geschorste overleveringsdetentie opgeheven. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Uitkomst: De officier van justitie is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en de geschorste overleveringsdetentie is opgeheven.