De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte wegens twee ten laste gelegde feiten: een poging tot woninginbraak op 25 oktober 2018 te Aalsmeer en een woninginbraak op 2 september 2018 te Amstelveen. Verdachte werd op heterdaad aangehouden bij de poging tot inbraak en deed een bekennende verklaring.
Bij het onderzoek naar de woninginbraak in Amstelveen werd een schroevendraaier met het DNA van verdachte aangetroffen. De rechtbank oordeelde echter dat dit onvoldoende bewijs is voor een bewezenverklaring, omdat het DNA op een verplaatsbaar object zat en verdachte aannemelijk maakte dat hij veel schroevendraaiers heeft vastgehouden in zijn werk aan brommers. Hierdoor kon het alternatieve scenario niet worden uitgesloten.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de woninginbraak in Amstelveen, maar achtte bewezen dat hij de poging tot woninginbraak in Aalsmeer had gepleegd. Gelet op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het plaatsvond en de persoon van verdachte, legde de rechtbank een gevangenisstraf van vijf maanden op, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht en schuldhulpverlening.
De rechtbank motiveerde de straf mede door het feit dat het huis van de overleden ouders van de aangever werd overhoop gehaald, wat een persoonlijke en maatschappelijke impact heeft. Verdachte toonde zich gemotiveerd voor hulpverlening, wat meewoog in de keuze voor een deels voorwaardelijke straf.
De uitspraak werd gedaan op 5 februari 2019 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.