De rechtbank Amsterdam behandelde op 7 maart 2019 de strafzaken tegen verdachte, die werd beschuldigd van twee woninginbraken gepleegd in november 2018. Zaak A betrof een inbraak op 19 november waarbij sieraden en een engel van glas met goudafzetting werden weggenomen. Zaak B betrof een inbraak op 17 of 18 november waarbij een koptelefoon werd gevonden.
De officier van justitie stelde dat beide feiten bewezen konden worden, onder meer op basis van aangiften, sporenonderzoek en een NFI-rapport dat DNA van verdachte op de koptelefoon aantoonde. De verdediging voerde aan dat de aanhouding onrechtmatig was en dat verdachte slechts heling pleegde in zaak A, en betwistte de toerekening van het DNA in zaak B.
De rechtbank sprak verdachte vrij van zaak B omdat de aanwezigheid van de koptelefoon onvoldoende bewijs leverde voor de inbraak. Zaak A werd bewezen verklaard op basis van fouillering, aangetroffen goederen en verklaringen. De rechtbank legde een gevangenisstraf van drie maanden op, rekening houdend met de ernst van het feit, het ontbreken van eerdere veroordelingen en de jonge leeftijd van verdachte. De benadeelde partij in zaak B werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering.