AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in overleveringsvordering wegens detentieomstandigheden Roemenië
De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet, ingediend door de officier van justitie, betreffende de aanhouding en overlevering van een persoon aan Roemenië op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 20 februari 2015.
Tijdens meerdere zittingen, waaronder op 13 september 2016, 11 oktober 2016 en 24 januari 2019, werd de zaak besproken. De behandeling werd geschorst en uitgesteld vanwege onvoldoende informatie over de detentieomstandigheden in Roemenië, die mogelijk onmenselijk of vernederend zouden zijn.
De officier van justitie verzocht om niet-ontvankelijkheid vanwege het ontbreken van verbeteringen in de detentieomstandigheden en het uitblijven van garanties van de Roemeense autoriteiten. De verdediging stelde dat de redelijke termijn was overschreden.
De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn was overschreden en dat er geen concrete aanwijzingen waren dat op korte termijn garanties zouden worden verstrekt. Daarom werd de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en de procedure beëindigd.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn en onvoldoende garanties over humane detentieomstandigheden.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13/751546-16
RK-nummer: 16/5048
Datum uitspraak: 24 januari 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 vanPro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 15 juli 2016 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 februari 2015 door the Braşov Court - Criminal Section(Roemenië) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] Roemenië) op [geboortedag] 1988
verblijvende op het adres [adres]
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.
1.Procesgang
Zitting 13 september 2016
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 september 2016.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. R. Vorrink. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw,
mr. W. van Drummen, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
De behandeling van de zaak is geschorst om de officier van justie in de gelegenheid te stellen nadere vragen te stellen aan de Roemeense autoriteit over de detentieomstandigheden.
Zitting 11 oktober 2016
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 11 oktober 2016.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie
mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Drummen, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal. Het onderzoek ter zitting is gesloten en is vervolgens heropend en geschorst bij uitspraak van 25 oktober 2016 om de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB uit te stellen nu er onvoldoende informatie beschikbaar is om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon bij detentie in Roemenië uit te sluiten.
Zitting 24 janauri 2018
De behandeling van de vordering is hervat op de openbare zitting van 24 januari 2019.
Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. W. van Drummen, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Roemeense taal.
2.Identiteit van de opgeëiste persoon
De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.
3.Grondslag en inhoud van het EAB
In het EAB wordt melding gemaakt van een verstekvonnis van 31 januari 2014 van the Braşov Court(Roemenië) met kenmerk 2050/62/2013.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van Roemenië strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
4.Ontvankelijkheid officier van justitie
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft meegedeeld dat er sinds de tussenuitspraak van de rechtbank van
25 oktober 2016 geen signalen aanwezig zijn dat de detentieomstandigheden in Roemenië op dit moment zijn verbeterd. Er is wel onlangs aan de Roemeense autoriteit om een update over de detentieomstandigheden verzocht en hierop is geen antwoord gekomen. Hij verzoekt de rechtbank hem niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
In de tussenuitspraak van de rechtbank van 25 oktober 2016 is bepaald dat de beslissing over de tenuitvoerlegging van het EAB wordt uitgesteld in verband met de detentieomstandigheden in Roemenië. In andere zaken heeft de rechtbank al na negen maanden na de beslissing tot uitstel besloten tot niet ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Oordeel van de rechtbank
Er is nog geen informatie van de Roemeense autoriteit beschikbaar die het vastgestelde reële gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling voor de opgeëiste persoon uitsluit.
Er is verder geen concrete aanleiding te veronderstellen dat op korte termijn alsnog een individuele garantie met betrekking tot de detentieomstandigheden van de opgeëiste persoon zal worden verstrekt.
De rechtbank komt tot het oordeel dat in dit geval, in het licht van alle omstandigheden, de redelijke termijn is overschreden en de overleveringsprocedure moet worden beeindigd.
5.Beslissing
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijkin de vordering ex artikel 23 vanPro de OLW van 15 juli 2016.
HEFT OPhet geschorste bevel tot overleveringsdetentie.
Aldus gedaan door
mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en B. Poelert, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. H.L. van Loon, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 24 januari 2019.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.