ECLI:NL:RBAMS:2019:1723
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen stopzetting nabestaandenuitkering wegens niet meewerken aan UWV-onderzoek
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van een nabestaande die een nabestaandenuitkering ontving op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale Verzekeringsbank (SVB) heeft de uitkering per 1 januari 2019 stopgezet omdat de verzoeker niet is meegewerkt aan een door het UWV uit te voeren onderzoek naar zijn arbeidsongeschiktheid, wat een voorwaarde is voor het voortbestaan van de uitkering.
De verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en stelde dat hij niet is gekeurd vanwege afspraken die niet werden nagekomen en zijn wens om het onderzoek op te nemen, wat werd geweigerd. De voorzieningenrechter constateerde op basis van schriftelijke communicatie van de verzekeringsarts dat de SVB en het UWV herhaaldelijk hebben geprobeerd een afspraak te maken, maar dat de verzoeker niet is verschenen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de verzoeker niet heeft voldaan aan zijn medewerkingsverplichting en dat de SVB terecht de uitkering heeft stopgezet op grond van artikel 34 van Pro de Anw. Het bezwaar heeft geen redelijke kans van slagen en ondanks de financiële nood van de verzoeker is er geen reden om de voorlopige voorziening toe te wijzen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de stopzetting van de nabestaandenuitkering wordt afgewezen.