ECLI:NL:RBAMS:2019:1784

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
7 maart 2019
Publicatiedatum
13 maart 2019
Zaaknummer
13/701579-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 3 OpiumwetArt. 511c Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in ontnemingsvordering na schikking met veroordeelde

De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, gebaseerd op een eerdere veroordeling voor opzetheling, witwassen en overtreding van de Opiumwet.

De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €68.086,20 gevorderd, later verhoogd tot €90.551,20. Tijdens de terechtzitting van 21 februari 2019 verzocht het OM om niet-ontvankelijkheid van de vordering, omdat met veroordeelde een schikking was getroffen ex artikel 511c Sv.

De schikking hield in dat veroordeelde samen met een medeschuldenaar €80.000,- zou betalen, waarvan veroordeelde €40.000,-. Dit bedrag werd voldaan door aanwending van verbeurd verklaarde geldbedragen, horloges en andere voorwerpen onder conservatoir beslag. Betaling van €32.195,- door veroordeelde werd bevestigd door het Centraal Justitieel Incassobureau.

De rechtbank oordeelde dat hiermee aan de voorwaarden was voldaan en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens een voldane schikking.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/701579-14 (ontneming)
Datum uitspraak: 21 februari 2019
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/701579-14, tegen:
[veroordeelde], hierna te noemen veroordeelde ,
geboren te [geboorteplaats] [geboortedag] 1965,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter zitting

De vordering is aan de orde geweest op de terechtzitting van 24 januari 2018. De vordering is vervolgens behandeld op de terechtzitting van 21 februari 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.D. Braber, en van wat de raadsvrouw van veroordeelde, mr. M.C. van Megen, naar voren hebben gebracht.

2.De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 14 december 2017 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e lid 5 van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op
€ 68.086,20en dat aan veroordeelde de (hoofdelijke) verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
In een herziene berekening van 19 december 2017 heeft de officier van justitie de vordering verhoogd tot een bedrag van € 90.551,20.
De officier van justitie baseert de vordering op de feiten die – in eerste aanleg – bij vonnis van deze rechtbank van 16 december 2015 bewezen zijn verklaard. Veroordeelde is veroordeeld wegens opzetheling, witwassen, schuldheling en het opzettelijk handelen in strijd met de in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verboden.

3.Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Ter terechtzitting van 21 februari 2019 heeft de officier van justitie de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie gevorderd, omdat inmiddels met de veroordeelde een schikking ex artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering is getroffen en de veroordeelde hieraan heeft voldaan.

4.Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich niet verzet tegen de vordering van de officier van justitie om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

5.Het oordeel van de rechtbank

Partijen zijn in oktober 2018 in een schikkingsovereenkomst ex artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering overeengekomen dat veroordeelde samen met [persoon] aan de Staat een bedrag van € 80.000,00 zal betalen, teneinde een veroordeling ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel te voorkomen. Dat komt neer op € 40.000,- per persoon. Dit bedrag zal worden voldaan door aanwending van verbeurd verklaarde geldbedragen en horloges (€ 15.600,-) en aanwending van andere voorwerpen waarop conservatoir beslag rust (€ 64.390,-).
Uit de brief van het Centraal Justitieel Incassobureau van 31 december 2018 blijkt dat veroordeelde heeft voldaan aan de plicht om het bedrag van € 32.195,- (de helft van € 64.390,-) aan de Staat te betalen. Hiermee heeft veroordeelde voldaan aan de voorwaarde om de ontnemingsvordering niet langer te handhaven.
Op grond van het voorgaande dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M. Jongkind, voorzitter,
mrs. B.M. Visser en R.H.G. Odink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 februari 2019.
De oudste rechter is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen.