De rechtbank Amsterdam behandelde een vordering tot overlevering van een persoon aan Luxemburg op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd wegens illegale handel in verdovende middelen. De opgeëiste persoon, geboren in Polen en thans gedetineerd in Nederland, werd verdacht van strafbare feiten volgens het Luxemburgse recht.
Tijdens de procedure heeft de verdediging aangevoerd dat de opgeëiste persoon gelijkgesteld moet worden met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, van de Overleveringswet (OLW). Dit vereist onder meer een duurzaam verblijfsrecht in Nederland, dat volgens de verdediging aanwezig is. De officier van justitie betwistte dit, stellende dat de verdediging onvoldoende bewijs heeft geleverd van een onafgebroken rechtmatig verblijf van vijf jaar.
De rechtbank constateerde dat de vragen omtrent het verblijfsrecht nader onderzoek vereisen en dat het ter zitting verhandelde onvoldoende basis bood. Daarom werd het onderzoek geschorst voor maximaal één maand om de verdediging in de gelegenheid te stellen het gelijkstellingsverweer met aanvullende stukken, zoals zorgverzekeringsgegevens van de moeder en verblijfgegevens vanaf september 2016, nader te onderbouwen.
De rechtbank bepaalde dat de zaak op een nieuwe zitting zal worden voortgezet en dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen. Tegen deze tussenuitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.