De rechtbank Amsterdam behandelde de vordering van de officier van justitie tot overlevering van een persoon aan Roemenië op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De procedure begon in maart 2016 en werd meerdere keren uitgesteld vanwege zorgen over de detentieomstandigheden in Roemeense gevangenissen.
Tijdens de zitting van 7 juni 2016 werd de beslissing uitgesteld en het onderzoek geschorst vanwege het risico op schending van mensenrechten. De rechtbank wachtte op aanvullende informatie van Roemeense autoriteiten over verbeteringen in het gevangenissysteem.
Op 26 februari 2019 gaf de officier van justitie aan dat er geen nieuwe concrete garanties waren ontvangen. De rechtbank ontving wel een brief waarin werd aangegeven dat er maatregelen worden genomen om overbevolking tegen te gaan, maar dat er nog onvoldoende zekerheid is over het uitsluiten van onmenselijke behandeling.
Gezien de lange duur van de procedure en het ontbreken van voldoende garanties, oordeelde de rechtbank dat de redelijke termijn was overschreden. Daarom verklaarde zij de officier van justitie niet-ontvankelijk in haar vordering en beëindigde zij de overleveringsprocedure.