Op 24 juli 2016 heeft verdachte in Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening een 500-euro biljet met geweld uit de hand van het slachtoffer weggenomen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte het biljet met kracht uit de hand van het slachtoffer heeft getrokken, wat een angstaanjagende ervaring voor het slachtoffer was en bijdraagt aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
De zaak werd bij verstek behandeld op 3 december 2018 en het vonnis is uitgesproken op 17 december 2018. De officier van justitie eiste een gevangenisstraf van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk, maar de rechtbank legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, mede vanwege het strafblad van verdachte en de ernst van het feit.
De rechtbank vond geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en achtte het feit strafbaar zonder rechtvaardigingsgrond. Tevens werd de tenuitvoerlegging gelast van een eerdere voorwaardelijke gevangenisstraf van één week, opgelegd op 12 mei 2016, omdat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit.
De rechtbank verklaarde bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en veroordeelde hem tot een gevangenisstraf van drie maanden. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.