ECLI:NL:RBAMS:2019:2099

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
8 februari 2019
Publicatiedatum
21 maart 2019
Zaaknummer
RK 18/5909
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNA-onderzoekArt. 2 Wet DNA-onderzoekArt. 67 lid 1 SvArt. 45 SrArt. 302 Sr
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaren tegen DNA-afname en opname in DNA-databank ongegrond verklaard

De veroordeelde, die een taakstraf opgelegd kreeg wegens poging tot zware mishandeling, maakte bezwaar tegen het bepalen en opnemen van haar DNA-profiel in de DNA-databank. Het bezwaarschrift werd ingediend binnen de wettelijke termijn en behandeld in besloten raadkamer, waarbij de veroordeelde niet aanwezig was.

De rechtbank overwoog dat de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden beoogt om strafbare feiten efficiënt op te sporen en recidive te voorkomen door het afnemen van DNA van veroordeelden van bepaalde misdrijven. Artikel 302 Sr Pro, waarop de veroordeling is gebaseerd, valt onder deze categorie misdrijven.

De rechtbank toetste of er uitzonderingen op de afname en verwerking van DNA van toepassing waren, zoals bijzondere omstandigheden of de aard van het misdrijf die DNA-onderzoek irrelevant maken. Geen van deze uitzonderingen was aannemelijk gemaakt. De rechtbank verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad die een beperkte uitleg van uitzonderingen voorschrijft.

De rechtbank besloot het bezwaar ongegrond te verklaren en wees erop dat indien in hoger beroep vrijspraak volgt, het afgenomen DNA alsnog vernietigd zal worden. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname en opname in de DNA-databank wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/215733-17
RK: 18/5909
Beschikking op het bezwaarschrift ex artikel 7 van Pro de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden (hierna: de Wet) van:

[naam veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1998 te [geboorteplaats] , wonende op het [adres] , woonplaats kiezend op het adres van haar raadsman, mr. R. Pothast, Jozef Israëlskade 450, 1074 SW te Amsterdam,
veroordeelde.

Procesgang

Het bezwaarschrift is op 4 september 2018 bij akte ter griffie van deze rechtbank ingediend.
De rechtbank heeft op 8 februari 2019 de gemachtigde raadsman en de officier van justitie in besloten raadkamer gehoord.
Veroordeelde is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

De inhoud van het bezwaarschrift en het standpunt van veroordeelde

Het bezwaarschrift is gericht tegen het bepalen van het DNA-profiel van veroordeelde en de opname daarvan in de DNA-databank.
De raadsman heeft in raadkamer aangevoerd dat sprake was van een incident. Het misdrijf vond plaats onder specifieke omstandigheden omdat twee meisjes verliefd waren op dezelfde jongen. Het hoger beroep van de strafzaak loopt nog.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard omdat de uitzonderingen voor afname DNA zoals in de Wet beschreven niet op veroordeelde van toepassing zijn en recidive niet valt uit te sluiten.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
De veroordeelde is bij vonnis van 28 mei 2018 van de politierechter in deze rechtbank veroordeeld ter zake van poging tot zware mishandeling (artikel 45 en Pro 302 van het Wetboek van Strafrecht (Sr)) tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis.
Op grond van deze veroordeling heeft de officier van justitie bij bevel van 11 juni 2018 bepaald dat van veroordeelde celmateriaal zal worden afgenomen ter bepaling en verwerking van haar DNA-profiel.
Op 29 augustus 2018 is celmateriaal van veroordeelde afgenomen door [naam opsporingsambtenaar] , die volgens het ambtsedig proces-verbaal van afname celmateriaal een opsporingsambtenaar is die conform artikel 5, lid 2 van de Wet aangewezen en gecertificeerd is tot het afnemen van celmateriaal ten behoeve van DNA-onderzoek.
Het bezwaarschrift is op 4 september 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend, derhalve binnen de in artikel 7 van Pro de Wet genoemde termijn van veertien dagen. Veroordeelde kan in zoverre worden ontvangen in haar bezwaar.
De rechtbank stelt voorop dat de Wet ertoe strekt gepleegde en eventuele toekomstige strafbare feiten van de veroordeelde op efficiënte wijze op te sporen alsmede veroordeelden van het plegen van nieuwe strafbare feiten te weerhouden. Tekst, alsmede doel en strekking van de Wet hebben als uitgangspunt dat bij iedereen die is veroordeeld tot een gevangenisstraf of taakstraf wegens het begaan van een misdrijf zoals genoemd in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv) celmateriaal dient te worden afgenomen (artikel 2, eerste lid, in combinatie met artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wet).
De rechtbank stelt vast dat artikel 302 Sr Pro, waarvoor veroordeelde tot een taakstraf is veroordeeld, valt onder de categorie misdrijven als bedoeld in artikel 67 lid 1 Sv Pro.
De rechtbank moet beoordelen of een van de in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet genoemde uitzonderingen zich voordoet, te weten of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde. Blijkens de wetsgeschiedenis ziet de maatstaf ‘aard van het misdrijf’ op misdrijven waarbij DNA-onderzoek geen bijdrage kan leveren aan de opsporing. De maatstaf ‘bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd’ hangt samen met de persoon van de veroordeelde. Het gaat daarbij om de situatie dat, ondanks een veroordeling wegens misdrijf, in de gegeven omstandigheden een DNA-onderzoek niet kan worden gerechtvaardigd.
De Hoge Raad heeft bepaald dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee hiervoor genoemde – beperkt – uit te leggen uitzonderingen (Hoge Raad 13 mei 2018, ECLI:NL:HR:2008:BC8231, NJ 2008/627 en ECLI:NL:HR:2008:BC8234, NJ 2008/628).
De rechtbank is van oordeel dat er geen omstandigheden zijn aangevoerd waardoor naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard van het misdrijf en de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan, sprake is van een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Indien veroordeelde in hoger beroep zal worden vrijgesproken, zal het afgenomen DNA alsnog worden vernietigd.
De rechtbank zal het bezwaar daarom ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door
mr. W.M.C. van den Berg, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier
en in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2019.
Tegen deze beslissing staat voor veroordeelde géén rechtsmiddel open.