De rechtbank Amsterdam behandelde op 15 maart 2019 een verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Duitsland, gebaseerd op een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Staatsanwaltschaft Aurich. De verdachte, geboren in 1977 en woonachtig in Nederland, werd verdacht van poging zware mishandeling en andere geweldsdelicten.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de verdachte correct was vastgesteld en dat de feiten waarvoor overlevering werd gevraagd ook naar Nederlands recht strafbaar zijn. Tevens werd beoordeeld dat aan de voorwaarden van dubbele strafbaarheid was voldaan. Omdat de verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit, werd een garantie van de Duitse autoriteiten aanvaard dat bij een veroordeling de straf in Nederland kan worden uitgezeten.
Na toetsing van de wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden besloot de rechtbank de overlevering toe te staan. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters, waarbij de jongste rechter niet medeondertekende.