Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.De ontvankelijkheid van de officieren van justitie
- het handhavingsconvenant is geschonden. Als de Belastingdienst zijn eigen spelregels in het kader van horizontaal toezicht had gevolgd, was deze zaak niet strafrechtelijk afgedaan;
- het onderzoek van meet af aan gericht was op KPMG-gebouw Amstelveen II B.V. (hierna: KPMG II) en [medeverdachte 1] , maar de Belastingdienst gedaan heeft alsof het anders was en een derdenonderzoek heeft verricht, waardoor sprake is van misbruik van bevoegdheden (
- het derdenonderzoek een verkapt opsporingsonderzoek was, waarin met voorbijgaan aan de rechtswaarborgen van de cautieplicht en het nemo tenetur-beginsel informatie is verzameld, die is gebruikt in het vervolgonderzoek van de FIOD;
- Trafi-onderzoekers van de Belastingdienst zonder opsporingsbevoegdheid in strijd met de wet zijn ingezet in het strafrechtelijke opsporingsonderzoek;
- de Richtlijnen aanmelding en afhandeling fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten (hierna: AAFD-richtlijnen) niet zijn nageleefd. De zaak is namelijk al lang vóór de aanmelding in de strafrechtelijke sfeer gebracht, wat illustreert dat de normatieve uitgangspunten van het handhavingsconvenant zijn miskend;
- de verbaliseringsplicht van artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet is nageleefd, wat de controle op de rechtmatigheid van het onderzoek in de voorfase onmogelijk maakt;
- het Openbaar Ministerie – ondanks dat de rechtbank op 3 oktober 2017 had geoordeeld dat zij met haar persbericht van 18 juli 2017 de onschuldpresumptie ten aanzien van [medeverdachte 1] had geschonden – op 24 januari 2019 een nieuw persbericht heeft uitgebracht, waarmee zij opnieuw en bij voortduring de onschuldpresumptie van verdachten heeft geschonden.
- het handhavingsconvenant niet is geschonden. Als er al een schending zou zijn geweest, dan is dit niet van invloed op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Bovendien is het handhavingsconvenant gebaseerd op vertrouwen, welk vertrouwen wegvalt bij een verdenking, en bevat het geen dwingende normen, maar intenties;
- geen sprake was van misbruik van bevoegdheden, omdat het derdenonderzoek rechtmatig was. Dat derdenonderzoek werd uitgevoerd ter controle van de juistheid van de aangifte van [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en het onderzoek was niet al van meet af aan gericht op KPMG II en [medeverdachte 1] ;
- het derdenonderzoek geen verkapt opsporingsonderzoek was, waarbij ook niet is voorbijgegaan aan de rechtswaarborgen van de cautieplicht en het nemo tenetur-beginsel;
- geen rechtsregel zich er tegen verzet dat personen, die niet met de opsporing zijn belast, tijdens het opsporingsonderzoek worden verzocht om vanuit hun deskundigheid ondersteuning te verlenen. Niet is gebleken dat Trafi-medewerkers opsporingshandelingen hebben verricht;
- het verweer, dat de AAFD-richtlijnen niet zijn nageleefd, kan worden verworpen, omdat in het tripartiete overleg van 28 januari 2014 het besluit is genomen een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Alleen die keuze is van belang. Aan die beslissing voorafgaande momenten van intern overleg binnen de Belastingdienst kunnen niet aan het Openbaar Ministerie worden tegengeworpen;
- het persbericht van 24 januari 2019 zorgvuldig en terughoudend is geweest, zodat geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv. De openbaring van het persbericht heeft geen invloed gehad op het recht op een eerlijk proces.
4.Vrijspraak
turnkey) zou worden opgeleverd – is besloten dat de kosten voor het inbouwpakket voor rekening kwamen van KPMG II. Dit is vastgelegd in de tussen KPMG Staffing and Facilities Services B.V. (vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] ), [naam B.V. 2] (hierna: [naam B.V. 2] ) en KPMG II (vertegenwoordigd door o.a. [medeverdachte 3] ) op 25 september 2006 gesloten overeenkomst ter zake van Casco plus huurdersvoorzieningen en de tussen genoemde partijen in juli 2006 gesloten huurovereenkomsten. Ook is er tussen KPMG II en [medeverdachte 2] een realisatieovereenkomst gesloten, waarbij door KPMG II een realisatievergoeding aan [medeverdachte 2] is toegekend voor aanvullende werkzaamheden, verstrekte garanties en overgenomen risico’s. De met het inbouwpakket en de realisatievergoeding gemoeide bedragen zijn als kostenpost opgenomen in de aangiften vennootschapsbelasting van KPMG II over de boekjaren 2009/2010 en 2010/2011. Naar het oordeel van de Belastingdienst, de FIOD en het Openbaar Ministerie hadden deze bedragen echter moeten worden aangemerkt als niet-aftrekbare, verkapte winstuitdelingen en is daardoor onterecht een te laag bedrag aan te belasten winst opgegeven. Ook zouden de realisatieovereenkomst en de daarop gebaseerde facturen valselijk zijn opgemaakt, omdat in die overeenkomst niet is opgenomen dat de realisatievergoeding ook of met name bestemd was als winstuitdeling. De aan [medeverdachte 2] betaalde realisatievergoeding, die deels bij rechtspersonen van [medeverdachte 5] terecht is gekomen, zou daarom moeten worden aangemerkt als een geldbedrag dat afkomstig is uit valsheid in geschrift.
cash flowkocht, namelijk de huur zoals vastgelegd in de huurovereenkomsten. In de conclusie van repliek is het Openbaar Ministerie op zijn eerder ingenomen uitgangspunt teruggekomen, in zoverre dat het Openbaar Ministerie niet zozeer van belang acht of het inbouwpakket is verkocht aan de koper, maar dat het vooral gaat om de vraag, of het inbouwpakket invloed heeft gehad op de hoogte van de koopsom, en dat het niet expliciet onderdeel heeft uitgemaakt van het onderhandelingsproces tussen koper en verkoper, en dus in dat opzicht geen invloed heeft gehad op de prijsvorming. Er lijkt geen koppeling te bestaan tussen de koopsom en het inbouwpakket, en de waarde van het inbouwpakket komt evenmin tot uitdrukking in de huursom van de door de koper overgenomen huurovereenkomst, aldus het Openbaar Ministerie. Hierbij is het Openbaar Ministerie kennelijk ervan uitgegaan, dat de overeengekomen huurprijs in combinatie met een huurdersincentive, zoals hier aan de orde, in de gegeven omstandigheden van het geval (waaronder de overige huurvoorwaarden), niet zakelijk is te achten. Verder heeft het Openbaar Ministerie naar voren gebracht dat het economisch risico van het inbouwpakket bij de huurder ligt, omdat de lasten volledig zijn overgeheveld naar de huurder en de huurder dus economisch eigenaar was. Hieruit volgt volgens het Openbaar Ministerie dat KPMG II de uitgaven voor het inbouwpakket heeft gedaan ten behoeve van haar aandeelhouder.