Op 17 oktober 2013 werd verdachte samen met een medeverdachte geobserveerd bij een café in Amsterdam, waarbij zij een gele tas droegen waarin drugs werden aangetroffen. Verdachte werd beschuldigd van het medeplegen van het bezit van 994 gram cocaïne en 398 gram hennep, alsmede van witwassen van €16.900.
De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer aan wegens vermeende schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, gebaseerd op onvolledigheden in het proces-verbaal en camerabeelden. De rechtbank oordeelde echter dat deze onvolledigheden niet tot niet-ontvankelijkheid leidden.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het witwassen wegens gebrek aan bewijs voor betrokkenheid bij het geldbedrag. Voor het bezit van de drugs achtte de rechtbank verdachte medepleger, gelet op de gezamenlijke handelingen en beschikkingsmacht over de drugs. De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van drie maanden, gelijk aan het voorarrest, vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Alle inbeslaggenomen goederen, waaronder geld en mobiele telefoons, werden aan verdachte teruggegeven. De straf is gebaseerd op de Opiumwet en het Wetboek van Strafrecht.