De rechtbank Amsterdam behandelde op 10 april 2019 een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van verdachte, voortvloeiend uit een eerdere veroordeling voor medeplegen van poging tot oplichting en diefstal door twee of meer verenigde personen. De vordering van de officier van justitie betrof het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel en het opleggen van een betalingsverplichting aan verdachte.
Tijdens de terechtzitting werd vastgesteld dat verdachte zich niet verenigt met het vonnis van 18 december 2018, maar dat dit in de ontnemingsprocedure geen rol speelt. De rechtbank baseerde haar berekening op de bewezenverklaringen uit dat vonnis en sloot andere feiten, waarvoor onvoldoende bewijsstukken aanwezig waren, uit. De berekening resulteerde in een bedrag van €6.800,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel, bestaande uit een deel van de opbrengst van diefstal en oplichting.
De rechtbank legde aan verdachte de verplichting op om dit bedrag aan de Staat te betalen, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De beslissing werd genomen door de meervoudige kamer, waarbij één rechter wegens omstandigheden niet kon ondertekenen.