ECLI:NL:RBAMS:2019:2681

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2019
Publicatiedatum
15 april 2019
Zaaknummer
13/654198-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 55 SrArt. 57 SrArt. 26 Wet Wapens en MunitieArt. 3 OpiumwetArt. 11 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vier maanden gevangenisstraf voor bezit pistool, patronen en hasj; vrijspraak heling en witwassen

Op 23 december 2018 doorzocht de politie een woning in Amsterdam waar verdachte alleen aanwezig was. In de woning werden een pistool, 15 patronen, drie veiligheidsvesten, ongeveer 104 gram hasj en 1.900 euro contant geld aangetroffen. Verdachte werd vervolgd voor het bezit van het vuurwapen en patronen, heling van veiligheidsvesten, het aanwezig hebben van hasj en witwassen van contant geld.

De rechtbank oordeelde dat het bezit van het pistool, de patronen en de hasj wettig en overtuigend was bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van verdachte en diverse proces-verbalen en forensisch onderzoek. De feiten van heling en witwassen konden niet worden bewezen, omdat verdachte verklaarde dat hij de politie-veiligheidsvesten niet had gezien en het contante geld afkomstig was van een erfenis die hij met zijn broers had verdeeld.

De rechtbank veroordeelde verdachte tot vier maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De straf werd bepaald op basis van de ernst van het bezit van het pistool, dat half doorgeladen en voor het grijpen lag, en de aanwezigheid van munitie en hasj. Verdachte had verklaard het wapen voor zijn eigen veiligheid te hebben, maar dit deed niets af aan de ernst van het feit. De rechtbank wees de eis van zes maanden deels af en matigde de straf tot vier maanden.

Daarnaast werd het in beslag genomen contante geldbedrag van 1.900 euro aan verdachte teruggegeven. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur van de voorlopige hechtenis gelijk was aan de opgelegde straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voor bezit pistool, patronen en hasj; vrijspraak voor heling en witwassen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS
Parketnummer: 13/654198-18 (Promis)
Datum uitspraak: 27 maart 2019
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
zonder vaste woon- of verblijfplaats,
thans gedetineerd in het Detentiecentrum [detentieadres] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 maart 2019.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M. Modder, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.H.M. Mühren, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Op 23 december 2018 doorzoekt de politie een woning in Amsterdam. Verdachte is op dat moment als enige persoon aanwezig. In de woning worden onder meer een pistool, 15 patronen, drie (politie)-veiligheidsvesten, ongeveer 104 gram hasj en 1.900 euro aan contant geld aangetroffen. Dit is aan verdachte ten laste gelegd als – kort gezegd – het voorhanden hebben van een vuurwapen (feit 1) en patronen (feit 2), heling van veiligheidsvesten (feit 3), het aanwezig hebben van hasj (feit 4) en het witwassen van 1.900 euro (feit 5).
De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2 en 4 wettig en overtuigend kunnen worden bewezen, onder meer omdat verdachte deze feiten heeft bekend. De feiten 3 en 5 kunnen niet worden bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken, aldus de officier van justitie.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs hetzelfde standpunt ingenomen als de officier van justitie.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak van de feiten 3 en 5
De rechtbank is, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich aan de feiten 3 en 5 schuldig heeft gemaakt, zodat hij van deze feiten moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.
Ten aanzien van feit 3 (heling)
Uit de inhoud van het dossier blijkt dat in de woning drie veiligheidsvesten zijn aangetroffen: een wit veiligheidsvest en twee politie-veiligheidsvesten. Verdachte heeft verklaard dat het witte veiligheidsvest van hem was en dat hij de twee politie-veiligheidsvesten niet heeft gezien. Verdachte verbleef in een woning die niet van hem was en de drie veiligheidsvesten zaten niet in dezelfde tas. Daarom kan niet worden bewezen dat verdachte de twee politie-veiligheidsvesten voorhanden heeft gehad, en wordt hij van de ten laste gelegde heling vrijgesproken.
Ten aanzien van feit 5 (witwassen)
Bij verdachte is 1.900 euro aan contant geld aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij en zijn twee broers, nadat hun vader was overleden, 7.000 euro aan contant geld, afkomstig van hun vader, onderling hebben verdeeld. Ter onderbouwing van deze verklaring heeft de raadsman twee brieven van de broers van verdachte overhandigd, die kort gezegd deze verklaring bevestigen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het contante geldbedrag van 1.900 euro heeft witgewassen en daarom wordt hij daarvan vrijgesproken.
3.3.2.
Oordeel ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4 sprake is van een bekennende verdachte, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte de feiten 1, 2 en 4 heeft begaan op de hierna opgegeven bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 27 maart 2019;
een proces-verbaal aanhouding met nummer PL1300-2018261131-2 van 23 december 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] (dossierpagina’s 1 en 2);
een proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2018261131-14 van 23 december 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 3] (dossierpagina’s 17 – 20);
een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2018261131-10 van 23 december 2018, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] (dossierpagina’s 21 en 22);
een schriftelijk stuk, te weten ‘Kennisgeving van inbeslagneming’, met nummer PL1300-2018261131-11 van 23 december 2018 (dossierpagina’s 40 en 41);
een verslag van 3 januari 2019, rapportnummer 1504N18, van drs. R.F. Kranenburg, forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [verdachte] (dossierpagina 60).

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 3.3.2. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
feit 1
op 23 december 2018 te Amsterdam een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Heckler & Koch, type P30, kaliber 9mm Luger zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
feit 2
op 23 december 2018 te Amsterdam munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 15 Guillio Fiocchi Lecco patronen van het kaliber 9mm Luger voorhanden heeft gehad;
feit 4
op 23 december 2018 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 91,3 gram, van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, zijnde hasj een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

5.Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte een lagere straf moet worden opgelegd dan de officier van justitie heeft geëist en heeft voorgesteld om een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte inmiddels al in voorarrest heeft doorgebracht, namelijk 94 dagen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf van vier maanden opleggen, met aftrek van voorarrest. Deze strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan drie strafbare feiten en hij verdient daarvoor een straf. De hoogte van de straf wordt met name bepaald door feit 1, het voorhanden hebben van een pistool. Dit is een ernstig feit, omdat het ongecontroleerde bezit van een dergelijk wapen tot gevaarlijke en levensbedreigende situaties kan leiden. Dat gaat zeker op in dit geval. Het pistool was half doorgeladen en lag voor het grijpen op de leuning van de bank. Daar komt bij dat de rechtbank uit de verklaring van verdachte afleidt dat hij in voorkomende situaties bereid zou zijn om het pistool daadwerkelijk te gebruiken. Dat verdachte het wapen had voor zijn eigen veiligheid omdat hij met bedreigingen te maken heeft, doet niets af aan de ernst van dit feit.
De rechtbank neemt voor het bepalen van de straf de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt. Het oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een pistool betreft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank ziet aanleiding om een hogere straf op te leggen, omdat het wapen nagenoeg klaar was voor gebruik en omdat verdachte ook 15 patronen en daarnaast een hoeveelheid hasj voorhanden heeft gehad. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte geen aanleiding de straf te matigen.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat, anders dan de raadsman heeft bepleit, de omstandigheid dat verdachte heeft bekend geen aanleiding is om een lagere straf op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9.Beslissing

Verklaart het onder 3 en 5 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van feit 1 en 2
‘eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie’
ten aanzien van feit 4
‘opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod’.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
VIER (4) MAANDEN.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Gelast de teruggave aan verdachte van het in beslag genomen contante geldbedrag van 1.900 euro (5683215).
Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de opgelegde vrijheidsstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R.A.J. Hübel, voorzitter,
mrs. E.M.M. Gabel en M.M. Helmers, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 maart 2019.
mr. M.M. Helmers is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
[...]