Op 23 december 2018 doorzocht de politie een woning in Amsterdam waar verdachte alleen aanwezig was. In de woning werden een pistool, 15 patronen, drie veiligheidsvesten, ongeveer 104 gram hasj en 1.900 euro contant geld aangetroffen. Verdachte werd vervolgd voor het bezit van het vuurwapen en patronen, heling van veiligheidsvesten, het aanwezig hebben van hasj en witwassen van contant geld.
De rechtbank oordeelde dat het bezit van het pistool, de patronen en de hasj wettig en overtuigend was bewezen, mede op basis van de bekennende verklaring van verdachte en diverse proces-verbalen en forensisch onderzoek. De feiten van heling en witwassen konden niet worden bewezen, omdat verdachte verklaarde dat hij de politie-veiligheidsvesten niet had gezien en het contante geld afkomstig was van een erfenis die hij met zijn broers had verdeeld.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot vier maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. De straf werd bepaald op basis van de ernst van het bezit van het pistool, dat half doorgeladen en voor het grijpen lag, en de aanwezigheid van munitie en hasj. Verdachte had verklaard het wapen voor zijn eigen veiligheid te hebben, maar dit deed niets af aan de ernst van het feit. De rechtbank wees de eis van zes maanden deels af en matigde de straf tot vier maanden.
Daarnaast werd het in beslag genomen contante geldbedrag van 1.900 euro aan verdachte teruggegeven. Het bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven zodra de duur van de voorlopige hechtenis gelijk was aan de opgelegde straf.