ECLI:NL:RBAMS:2019:2891

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 april 2019
Publicatiedatum
18 april 2019
Zaaknummer
AMS 18/2861
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 13 Verordening (EG) nr. 883/2004Art. 13 AwbArt. 13 eerste lid Algemene Ouderdomswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde periode na verhuizing naar België

Eiser woont sinds 11 maart 2011 in België en heeft de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt op 28 november 2018. Verweerder heeft vastgesteld dat eiser voor een bepaalde periode geen AOW-pensioen heeft opgebouwd vanwege een niet-verzekerde periode, wat leidde tot een korting op zijn AOW-uitkering. Eiser betwist deze korting en stelt dat hij in Nederland verzekerd bleef omdat hij een substantieel deel van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte en daar belasting en premies betaalde.

De rechtbank beoordeelt de verschillende besluiten van verweerder en verklaart het beroep tegen de besluiten van 16 februari 2018 en 19 juli 2018 niet-ontvankelijk omdat eiser geen belang meer heeft bij deze beroepen. Het beroep tegen het besluit van 5 februari 2019 wordt inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte in de periode 1 januari 2015 tot en met 18 januari 2018. Ook is niet vastgesteld dat hij premies volksverzekering heeft betaald in die periode.

Daarom is de korting van 6% op het AOW-pensioen terecht toegepast. De rechtbank wijst een proceskostenvergoeding af, maar bepaalt dat verweerder het griffierecht aan eiser vergoedt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk en het beroep tegen het laatste besluit ongegrond, waarbij de korting op het AOW-pensioen terecht is toegepast.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/2861

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] (België), eiser,

en

de raad van bestuur van de sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: M. Sturmans).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2018 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij van 11 maart 2011 tot en met 18 januari 2018 geen AOW-pensioen heeft opgebouwd. De korting op zijn AOW-uitkering bedraagt daardoor 14%.
Bij besluit van 16 februari 2018 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en de niet-verzekerde periode aangepast naar 1 september 2013 tot en met 18 januari 2018. De korting op het AOW-pensioen is vastgesteld op 10%.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 19 juli 2018 heeft verweerder eiser medegedeeld dat hij (ook) verzekerd is voor de periode van 1 september 2013 tot en met 31 december 2013 en dat de korting op zijn AOW-pensioen 8% bedraagt.
Bij besluit van 5 februari 2019 heeft verweerder eiser medegedeeld dat de niet-verzekerde periode loopt van 1 januari 2015 tot en met 27 november 2018. De korting op het AOW-pensioen is vastgesteld op 6%.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
1.1
Eiser woont sinds 11 maart 2011 in België. Op 28 november 2018 heeft hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. Eiser heeft lange tijd in zijn [woonplaats] in Den Haag gewerkt. Vanaf september 2013 is eiser als zelfstandige gaan werken.
1.2
Eiser is van mening dat verweerder ten onrechte een korting toepast op zijn AOW-pensioen.
Beoordeling door de rechtbank
2.1
De besluiten van 19 juli 2018 en 5 februari 2019 brengen een wijziging aan in het besluit van 16 februari 2018. Het besluit van 5 februari 2019 heeft de niet verzekerde periode ten opzichte van het besluit van 19 juli 2018 nader ingeperkt. In de besluiten van 19 juli 2018 en 5 februari 2019 wordt eiser nog niet geheel tegemoet gekomen. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) richt het beroep zich daarom ook tegen deze besluiten. Zoals ook op zitting is besproken, beoordeelt de rechtbank of verweerder eiser voor de periode 1 januari 2015 tot en met 18 januari 2018 terecht als niet verzekerd heeft aangemerkt ingevolge de AOW. Nu niet is gebleken dat eiser nog belang heeft bij zijn beroep tegen de besluiten van 16 februari 2018 en 19 juli 2018 zal de rechtbank deze beroepen niet-ontvankelijk verklaren.
Is eiser verzekerd voor de AOW?
2.2
Eiser voert aan dat hij zowel in België als in Nederland werkte. Eiser vindt dat hij in Nederland verzekerd is gebleven voor de AOW, omdat hij het grootste gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland is blijven verrichten. Volgens hem is ook relevant dat hij in Nederland inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen betaalde.
2.3
De rechtbank begrijpt het betoog van eiser zo, dat hij een beroep doet op artikel 13, tweede lid, onder b, van Verordening (EG) nr. 883/2004. Dit artikel bepaalt dat op degene die werkt in twee of meer lidstaten en niet woont in een van de lidstaten waar hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, de wetgeving van toepassing is van de lidstaat waar hij het centrum van zijn belangen heeft. De rechtbank beoordeelt eerst of eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland, het land waar hij in 2015 tot en met 2018 niet woonde, verrichtte.
2.4
De rechtbank vindt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. Eiser heeft aangegeven dat hij niet over stukken beschikt waaruit blijkt dat hij als zelfstandige vooral in Nederland werkte. Het zouden juist aanvullende gegevens kunnen zijn die het standpunt van eiser zouden kunnen onderbouwen. Op zitting is besproken dat eiser bijvoorbeeld benzine- of lunchbonnetjes had kunnen overleggen, waaruit valt af te leiden dat eiser, zoals hij stelt, vaak in Nederland op de weg was om (potentiële) klanten te bezoeken. Voor zover eiser betoogt dat hij verzekering ontleent aan de betaling van premies volksverzekering oordeelt de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat eiser premie heeft betaald over de jaren 2015 tot en met 2018.
Eiser kan voorts geen verzekering ontlenen aan de enkele omstandigheid dat hij inkomstenbelasting betaalde in Nederland. Die omstandigheid zegt namelijk niets over waar eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden heeft verricht.
2.5
Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat eiser in de periode van 1 januari 2015 tot en met 18 januari 2018 niet verzekerd was voor de AOW en dus geen AOW-pensioen heeft opgebouwd. Verweerder heeft daarom terecht een korting van 6% toegepast op het AOW-pensioen van eiser. [1]
Conclusie
2.6
De rechtbank verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen de besluiten van 16 februari 2018 en 19 juli 2018 niet-ontvankelijk.
2.7
De rechtbank verklaart het beroep voor zover het is gericht tegen het besluit van 5 februari 2019 ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
2.8
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Wel bestaat aanleiding, gezien de nadere besluiten waarmee deels aan de bezwaren van eiser tegemoetgekomen is, te bepalen dat verweerder aan eiser het griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de besluiten van 16 februari 2018 en 19 juli 2018;
  • verklaart het beroep ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit van 5 februari 2019;
  • bepaalt dat verweerder aan eiser het griffierecht tot een bedrag van € 46,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Breugem, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie artikel 13, eerste lid, onder a, van de Algemene Ouderdomswet.