7.3.Oordeel van de rechtbank
Vastgesteld kan worden dat er twee verschillende geboortedata zijn opgegeven door verdachte. Verdachte heeft in Nederland een geboortedatum opgegeven die hem een minderjarige verdachte maakt. Bij nader onderzoek is gebleken dat hij op een eerder moment in Italië een geboortedatum heeft opgegeven die hem meerderjarig maakt ten tijde van de feiten. Om die reden is op verzoek van de IND de geboortedatum van verdachte bij de Vreemdelingenpolitie gewijzigd, zodat hij in dat systeem ook als meerderjarig wordt aangemerkt. Het feit dat een persoon op een eerder moment als meerderjarige is geregistreerd is ingevolge uitspraken van de Raad van State weliswaar voldoende grond voor zo’n wijziging. De rechtbank is echter van oordeel dat in deze strafprocedure redenen bestaan om uit te blijven gaan van de minderjarigheid van deze verdachte. Uit de berichtgeving van Nidos blijkt verdachte ook niet overduidelijk meerderjarig en kunnen er kennelijk ook andere redenen zijn geweest om in Italië juist een oudere leeftijd op te geven. Nu er ruimte blijft bestaan voor twijfel, moet de voor verdachte meest gunstige situatie prevaleren en zal de rechtbank verdachte berechten volgens het jeugdrecht.
De rechtbank ziet dan ook aanleiding om bij de strafoplegging acht te slaan op de afspraken zoals deze ten aanzien van een aantal delictsgroepen zijn neergelegd in de Landelijke Oriëntatiepunten voor straftoemeting Jeugd, die dienen ter bevordering van de rechtseenheid in de strafoplegging. Bij de vaststelling van deze oriëntatiepunten wordt uitgegaan van het modale feit gepleegd door
first offenders.
Het betreffen in de onderhavige zaak de volgende feiten met de volgende uitgangspunten voor strafoplegging bij een first-offender:
- zakkenrollerij werkstraf vanaf 50 uren, dan wel dienovereenkomstige jeugddetentie;
- wederspannigheid werkstraf 20 uren;
- winkeldiefstal met schade onder de € 150,- werkstraf 20 uren.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Hij heeft samen met een ander een tas gestolen op het Centraal Station te Amsterdam door middel van een afleidingsmanoeuvre. Door zo te handelen geeft de verdachte er blijk van geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van anderen. Bij zijn aanhouding heeft hij zich vervolgens met geweld verzet tegen de buitgewoon opsporingsambtenaren van de NS. Dit soort handelingen bemoeilijken het werk van de betreffende ambtenaren en dit gedrag getuigt daarnaast van gebrek aan respect voor die ambtenaren. Ten slotte heeft verdachte zich opnieuw met een ander schuldig gemaakt aan diefstal, ditmaal van schoenen uit de Zara. Verdachte heeft wederom laten zien geen respect te hebben voor de eigendommen van een ander. Winkeldiefstallen brengen het winkelbedrijf schade toe, maar ook de consument op wie de kosten uiteindelijk worden afgewenteld.
De rechtbank heeft kennisgenomen van een Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 20 maart 2019 waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Hij zal dan ook worden aangemerkt als first offender.
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de volgende stukken, die in het kader van de persoonlijke omstandigheden van verdachte zijn opgemaakt:
- rapport van de Raad van 4 december 2018;
- Pro Justitia rapportages (zgn. weigerrapporten) van 28 december 2018;
- een door de raadsvrouw overgelegde e-mail van 11 april 2019 van de jeugdbeschermer van Nidos.
Gelet op al het voorgaande zal aan verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie worden opgelegd gelijk aan het voorarrest. Hiermee wordt naar het oordeel van de rechtbank recht gedaan aan de ernst van de feiten. Nu verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats is in Nederland en ook niet ter zitting is verschenen, ziet de rechtbank geen enkele aanleiding om het opleggen van een werkstraf te overwegen.
Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij [persoon 3] vordert als gevolg van feit 3 € 700,- aan materiële schadevergoeding in verband met schade aan zijn telefoon en € 600,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van het materiële deel geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De immateriële schade kan gematigd worden toegewezen tot een bedrag van € 200,- te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering in zijn geheel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu deze onvoldoende is onderbouwd.
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.