ECLI:NL:RBAMS:2019:3204
Rechtbank Amsterdam
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek wegens onvoldoende aanwijzingen voor rechterlijke vooringenomenheid
In deze zaak heeft verzoekster een wrakingsverzoek ingediend tegen de voorzieningenrechter die haar kort geding behandelde over de verkoop van een woning in een echtscheidingsprocedure. Verzoekster stelde dat de rechter onpartijdigheid ontbeerde vanwege diverse opmerkingen die niet in het proces-verbaal waren opgenomen en het gevoel dat haar standpunten onvoldoende werden gehoord.
De wrakingskamer heeft het verzoek beoordeeld aan de hand van artikel 36 Rv Pro en concludeerde dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken die wijzen op persoonlijke vooringenomenheid van de rechter. Ook de vermeende schijn van partijdigheid werd niet objectief gerechtvaardigd geacht. De opmerkingen van de rechter werden gezien als pogingen tot geschiloplossing binnen de grenzen van het betamelijke.
Het proces-verbaal werd als een verkorte en zakelijke weergave van de zitting beschouwd, waarbij het ontbreken van bepaalde opmerkingen geen grond voor wraking oplevert. De aanwezigheid van de partner van de man tijdens de zitting en de wijze van behandeling boden eveneens geen aanleiding tot twijfel over onpartijdigheid.
De wrakingskamer wees het verzoek daarom af en bepaalde dat de hoofdzaak onverminderd wordt voortgezet. Tegen deze beslissing staat geen voorziening open.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de voorzieningenrechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.