ECLI:NL:RBAMS:2019:3338
Rechtbank Amsterdam
- Op tegenspraak
- G.M. van Dijk
- S. van Eunen
- J.W.P. van Heusden
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak diefstal door babbeltruc wegens onvoldoende bewijs herkenning
Op 1 maart 2018 deed het slachtoffer aangifte van diefstal en oplichting door middel van een babbeltruc waarbij geldbedragen en een bankpas werden ontvreemd. De politie onderzocht de zaak en bekeek camerabeelden uit de portiek van het flatgebouw van het slachtoffer en beelden van pintransacties bij ABN AMRO en ING bank.
Verbalisanten verklaarden verdachte te herkennen op de beelden, onder meer door gezichtskenmerken zoals wenkbrauwen en make-up. Verdachte ontkende de ten laste gelegde feiten. De rechtbank benadrukte de noodzaak van behoedzaamheid bij het toekennen van bewijskracht aan herkenningen, zeker wanneer deze de enige bewijsmiddelen zijn.
De rechtbank vond de herkenning door de verbalisanten onvoldoende betrouwbaar, omdat specifieke onderscheidende kenmerken niet duidelijk waren beschreven en omdat een verbalisant verdachte kort tevoren in levenden lijve had gezien zonder haar te herkennen. Zonder aanvullend bewijs kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte de dader was.
Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde diefstal en oplichting. Het vonnis werd uitgesproken op 24 april 2019 door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende overtuigend bewijs van betrokkenheid bij diefstal door babbeltruc.