De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 april 2019 de vordering tot overlevering van een Nederlandse onderdaan aan België, op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Procureur des Konings te Leuven. De opgeëiste persoon werd verdacht van illegale handel in verdovende middelen en een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van drie jaar was opgelegd, waarvan nog 948 dagen resteren.
De rechtbank stelde vast dat de identiteit van de opgeëiste persoon juist was en dat het EAB voldeed aan de wettelijke eisen, waaronder de verzetgarantie die inhoudt dat de opgeëiste persoon na overlevering de mogelijkheid krijgt om verzet aan te tekenen tegen het vonnis. De verdediging voerde aan dat de overlevering onevenredig zou zijn omdat de opgeëiste persoon na overlevering waarschijnlijk direct in vrijheid zou worden gesteld door het verzet, maar de rechtbank verwierp dit verweer wegens gebrek aan bijzondere omstandigheden.
De rechtbank concludeerde dat de overlevering niet verboden is op grond van de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon en dat de garanties voor de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland voldoende zijn. De feiten zijn strafbaar gesteld in Nederland en de overlevering is daarom toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.