ECLI:NL:RBAMS:2019:3636

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 april 2019
Publicatiedatum
20 mei 2019
Zaaknummer
13/752146-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 321 SrArt. 326 SrArt. 2 OLWArt. 5 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor oplichting en verduistering

De rechtbank Amsterdam behandelde op 26 april 2019 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Hof van beroep Antwerpen. Het EAB betreft de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van twee jaar wegens oplichting en verduistering, waarvan nog 730 dagen resteren.

De verdachte voerde verzet tegen de overlevering met het argument dat de zaak onherroepelijk was en dat hij geen verzetprocedure kon instellen. De rechtbank stelde vast dat er een onvoorwaardelijke verzetgarantie was gegeven door de Belgische autoriteiten, waardoor de verdachte alsnog de mogelijkheid heeft om verzet aan te tekenen. Hierdoor werd de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, OLW niet van toepassing verklaard.

Verder werd vastgesteld dat de feiten strafbaar zijn volgens Nederlands recht en dat de terugkeergarantie is gegeven dat de straf in Nederland kan worden uitgezeten. De rechtbank verwierp het bezwaar dat de straf deels op Nederlands grondgebied zou zijn gepleegd en stond op grond van artikel 13, tweede lid, OLW af van de weigeringsgrond. De overlevering werd daarom toegestaan en er is geen gewoon rechtsmiddel tegen deze beslissing mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte aan België toe voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752146-18
RK nummer: 19/600
Datum uitspraak: 26 april 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 januari 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 november 2018 door het Hof van beroep Antwerpen (België) en het strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 12 april 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B.H.M. Nijsten, advocaat te Cadier en Keer.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het Hof van beroep Antwerpen van 18 april 2017 – 10 kamer, met referentienummer 2016/PGA/963 (griffienummer 450/17).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 2 jaar. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 730 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde arrest.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk arrest opgelegde vrijheidsstraf.
De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het arrest heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De advocaat-generaal van het Parket bij het Hof van beroep heeft bij brief van 22 februari 2019 het volgende verklaard:
“Ik kan u melden dat de betekening van het verstekarrest door OM aan OM geen beletsel vormt voor het kunnen aantekenen van verzet. Deze garantie is onvoorwaardelijk.”
De raadsman heeft verzocht de overlevering te weigeren subsidiair de zaak aan te houden vanwege grote onduidelijkheid over de vraag of de zaak al dan niet onherroepelijk is. De opgeëiste persoon heeft verklaard dat hij heeft getekend voor een arrest. Uit het Nederlandse strafblad van de opgeëiste persoon blijkt dat de zaak onherroepelijk is sinds 6 september 2017. Daarnaast heeft de opgeëiste persoon een gevangenisbrief ontvangen gedateerd op 5 september 2017 waarin staat meegedeeld dat hij zich moet melden in een gevangenis. Dit betekent dat de zaak onherroepelijk is.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de aanvullende informatie blijkt dat er een onvoorwaardelijke verzetgarantie is. Dat er een gevangenisbrief is maakt dit niet anders. Daarnaast is het tekenen voor een gevangenisbrief niet hetzelfde als het ontvangen van een vonnis.
In de recente aanvullende informatie van 22 februari 2019 wordt expliciet vermeld dat er een onvoorwaardelijke verzetgarantie is. De rechtbank ziet in het verweer van de raadsman, gelet op het in het overleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel, geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die informatie. Het verweer wordt verworpen.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. Dit betekent dat ook de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, OLW niet van toepassing is.

4.Strafbaarheid

4.1.
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Deze feiten vallen op deze lijst onder nummer 20, te weten:
oplichting

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De advocaat-generaal heeft de volgende garantie gegeven:
Ik ga ermee akkoord dat betrokkene na zijn uitlevering, indien hij tot een onherroepelijke effectieve vrijheidsstraf wordt veroordeeld, deze straf in Nederland ondergaat (terugkeergarantie).
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
valsheid in geschrift
verduistering
oplichting

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.
Met een beroep op artikel 13, tweede lid, OLW heeft de officier van justitie gevorderd dat wordt afgezien van deze weigeringsgrond. Uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling behoort overlevering aan de Belgische autoriteiten plaats te vinden.
De volgende argumenten zijn aangevoerd:
-het slachtoffer is in België;
-het onderzoek is in België aangevangen;
-het bewijs bevindt zich in België;
-de zaak is reeds in België behandeld.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Daarom moet van bedoelde weigeringsgrond worden afgezien.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 225, 321, 326 Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7, 13 Overleveringswet.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het Hof van beroep Antwerpen (België) wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.J. Alink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 26 april 2019.
De jongste rechter is buiten staat mede te ondertekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.