Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 mei 2019 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker,
[derde-partij]en
[derde-partij], te [woonplaats] , vergunninghouders
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam voor het slopen van een houten dijkwoning en het bouwen van een nieuwe twee-onder-een-kapwoning op dezelfde locatie. Verzoeker maakte bezwaar tegen deze vergunning en verzocht om een voorlopige voorziening om de uitvoering te schorsen.
De voorzieningenrechter beoordeelde of de bezwaren van verzoeker kans van slagen hadden. Verzoeker stelde onder meer dat de bouwhoogte, uitbreiding in de tuin en de fietsenberging in strijd zouden zijn met het bestemmingsplan. De rechter stelde vast dat de vergunning past binnen de geldende bestemmingsplannen en dat de overschrijding van de maximale goothoogte een ondergeschikte afwijking betrof waarvoor de reguliere procedure terecht was gevolgd.
Daarnaast werd overwogen dat verweerder voldoende rekening had gehouden met de redelijke eisen van welstand en dat het advies van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit zorgvuldig was. Verzoekers betoog over onzorgvuldigheid en het ontbreken van voorwaarden ter voorkoming van schade werd verworpen omdat dit een privaatrechtelijk belang betreft.
Hoewel verweerder nog een nader standpunt moet innemen over de dakhelling en belangenafweging rond lichtinval en privacy in de bezwaarprocedure, zag de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding voor een voorlopige voorziening. Hierdoor mogen de vergunninghouders starten met sloop en bouw gedurende de bezwaarprocedure.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen, waardoor de sloop en nieuwbouw mogen doorgaan tijdens de bezwaarprocedure.