De rechtbank Amsterdam behandelde op 12 april 2019 de vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor handel in cocaïne.
De officier van justitie stelde het voordeel op maximaal €24.191,08, gebaseerd op een periode van januari 2015 tot oktober 2018. Veroordeelde werd verweten ook handel in wiet te hebben gepleegd, maar dit werd door de rechtbank niet bewezen geacht.
De rechtbank nam verklaringen van getuigen en het proces-verbaal in overweging, verwierp het verweer van de raadsman omtrent contante betalingen niet en stelde het voordeel vast op €5.131,75. De rechtbank wees de betaling van dit bedrag aan de Staat op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht toe.
De handel in wiet werd onvoldoende onderbouwd, onder meer vanwege gebrek aan bewijs en de aard van de verklaringen. Ook het bedrag van €9.167,76 uit een tapactie werd naar beneden bijgesteld naar €72,00 wegens onvoldoende onderbouwing.
De uitspraak werd gedaan door drie rechters, waarbij de jongste rechter niet medeondertekende.