Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:3937

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 mei 2019
Publicatiedatum
3 juni 2019
Zaaknummer
13/751310-19
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Kaderbesluit 2002/584/JHA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing overleveringsdetentie wegens ontbreken rechterlijke uitvaardiging Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot voortzetting van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon uit Polen, die zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland was gedetineerd. De Duitse autoriteiten hadden een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd, dat volgens de officier van justitie een geldige grondslag bood voor de detentie.

Na ontvangst van het EAB en een correctie daarop, stelde de rechtbank vast dat het EAB van 11 april 2019 was uitgevaardigd door het Duitse Openbaar Ministerie en niet door een rechterlijke autoriteit. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 mei 2019 (ECLI:EU:C:2019:456) betekent dit dat het EAB geen rechterlijke beslissing is in de zin van het kaderbesluit 2002/584/JHA en daarmee geen rechtsgrond voor vrijheidsbeneming vormt.

De rechtbank verwierp het standpunt van de officier van justitie dat het nieuw uitgevaardigde EAB van 28 mei 2019 de eerdere vordering zou vervangen, omdat een vordering niet kan dateren van vóór de uitvaardiging van het EAB. Aangezien het oorspronkelijke EAB niet was ingetrokken en de opgeëiste persoon niet op grond van het nieuwe EAB was aangehouden, berustte de detentie nog steeds op het niet-rechterlijk EAB.

Daarom zag de rechtbank geen reden om de beslissing aan te houden voor een zitting en besloot zij ambtshalve de overleveringsdetentie op te heffen.

Uitkomst: De rechtbank heeft de overleveringsdetentie opgeheven wegens het ontbreken van een rechterlijke uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.751310-19
RK nummer: 19/2348
BESLISSING
De raadkamer van deze rechtbank heeft kennis genomen van het op overleveringsverzoek van de autoriteiten van Duitsland ten aanzien van de opgeëiste persoon:

[opgeëiste persoon]

geboren te [geboorteplaats] (Polen) [geboortedag] 1970,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in [plaats detentie] .
Op 28 mei 2019 heeft de rechtbank per e-mail de raadsman, mr. R.P.G. van der Weide, advocaat te Amsterdam, en de officier van justitie meegedeeld dat zij voornemens is om ten spoedigste (ambtshalve) een beslissing te nemen omtrent het voortduren van de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon en dat de rechtbank alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid stelt een standpunt in te nemen hieromtrent.
De raadsman heeft per e-mail van 28 mei 2019 betoogd dat de overleveringsdetentie moet worden opgeheven.
De officier van justitie heeft per e-mailbericht van 29 mei 2019 toegestuurd een door een Duitse rechter ondertekend EAB van 28 mei 2019, in de Duitse taal plus een vertaling van het EAB, bestaande uit 5 bladzijdes. De officier van justitie heeft meegedeeld dat daaraan kan worden toegevoegd dat bij onderdeel i) staat aangegeven dat het EAB is uitgevaardigd door rechter Wehmeyer van het Amtsgericht in Mönchengladbach, met dossier kenmerk: 59 Gs 345/19 (300 Js 1117/19).
Tevens heeft de officier van justitie meegestuurd een correctie/aanvulling van de vordering in behandeling neming. Daarin staat o.a. het volgende vermeld:
Daar waar in de vordering staat: “11 april 2019”, dient dit te worden gelezen als: “28 mei 2019”.
De officier van justitie meent dat er geen reden is om de opgeëiste persoon in vrijheid te stellen, gelet op het ontvangen EAB en het vluchtgevaar in deze zaak. Mocht de rechtbank anders overwegen, dan verzoekt de officier van justitie om over deze zaken een zitting te houden, zodat partijen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunt in rechte kenbaar te maken.
De rechtbank overweegt als volgt. Het EAB is uitgevaardigd door een Duits Openbaar Ministerie. Gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 27 mei 2019, C-508/18 en C-82/19 PPU, ECLI:EU:C:2019:456), moet worden aangenomen dat het EAB van 11 april 2019 niet is uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit. Het EAB is dus niet een “rechterlijke beslissing” in de zin van artikel 1, eerste lid, van Kaderbesluit 2002/584/JHA, zodat het geen grondslag biedt voor vrijheidsbeneming.
Het standpunt van de officier van justitie dat met de correctie/aanvulling van 29 mei 2019 het nieuw uitgevaardigde EAB van 28 mei 2019 de grondslag wordt van de eerder ingediende vordering van 12 april 2019, volgt de rechtbank niet, gelet op de onmogelijkheid dat een vordering tot het in behandeling nemen van een EAB dateert van een eerdere datum dan de grondslag van die vordering, te weten het EAB. Nu niet blijkt dat het EAB van 11 april 2019 is ingetrokken noch dat de opgeëiste persoon inmiddels is aangehouden op grond van het EAB van 28 mei 2019, berust de overleveringsdetentie nog steeds op het EAB van 11 april 2019, dat, zoals hiervoor overwogen, geen rechtsbasis voor vrijheidsbeneming vormt.
Mede daarom ziet de rechtbank geen aanleiding de beslissing over het voortduren van de overleveringsdetentie aan te houden om op een behandeling ter zitting (opnieuw) de standpunten van partijen te vernemen.
De rechtbank zal de overleveringsdetentie opheffen.

BESLISSING:

HEFT OP de overleveringsdetentie.

Deze beslissing is genomen op 29 mei 2019 door:
mr. C. Klomp, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier.