ECLI:NL:RBAMS:2019:3937
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Opheffing overleveringsdetentie wegens ontbreken rechterlijke uitvaardiging Europees aanhoudingsbevel
De rechtbank Amsterdam behandelde een verzoek tot voortzetting van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon uit Polen, die zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland was gedetineerd. De Duitse autoriteiten hadden een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd, dat volgens de officier van justitie een geldige grondslag bood voor de detentie.
Na ontvangst van het EAB en een correctie daarop, stelde de rechtbank vast dat het EAB van 11 april 2019 was uitgevaardigd door het Duitse Openbaar Ministerie en niet door een rechterlijke autoriteit. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 mei 2019 (ECLI:EU:C:2019:456) betekent dit dat het EAB geen rechterlijke beslissing is in de zin van het kaderbesluit 2002/584/JHA en daarmee geen rechtsgrond voor vrijheidsbeneming vormt.
De rechtbank verwierp het standpunt van de officier van justitie dat het nieuw uitgevaardigde EAB van 28 mei 2019 de eerdere vordering zou vervangen, omdat een vordering niet kan dateren van vóór de uitvaardiging van het EAB. Aangezien het oorspronkelijke EAB niet was ingetrokken en de opgeëiste persoon niet op grond van het nieuwe EAB was aangehouden, berustte de detentie nog steeds op het niet-rechterlijk EAB.
Daarom zag de rechtbank geen reden om de beslissing aan te houden voor een zitting en besloot zij ambtshalve de overleveringsdetentie op te heffen.
Uitkomst: De rechtbank heeft de overleveringsdetentie opgeheven wegens het ontbreken van een rechterlijke uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel.