ECLI:NL:RBAMS:2019:3942
Rechtbank Amsterdam
- Rekestprocedure
- Rechtspraak.nl
Opheffing overleveringsdetentie wegens ontbreken rechterlijke autoriteit EAB
De rechtbank Amsterdam heeft op 29 mei 2019 een beslissing genomen omtrent de voortzetting van de overleveringsdetentie van een opgeëiste persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, gedetineerd in een Nederlandse inrichting. Het overleveringsverzoek kwam van Duitse autoriteiten met een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat oorspronkelijk was uitgevaardigd op 11 april 2019.
De raadsman van de opgeëiste persoon heeft betoogd dat de overleveringsdetentie moet worden opgeheven. De officier van justitie stelde dat het EAB van 28 mei 2019, uitgevaardigd door rechter Wehmeyer van het Amtsgericht in Mönchengladbach, een geldige grondslag bood en dat er sprake was van vluchtgevaar. De rechtbank overwoog echter dat het oorspronkelijke EAB van 11 april 2019 was uitgevaardigd door het Duitse Openbaar Ministerie en niet door een rechterlijke autoriteit.
Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 mei 2019 (ECLI:EU:C:2019:456) moet worden aangenomen dat het EAB van 11 april 2019 geen rechterlijke beslissing is in de zin van het Kaderbesluit 2002/584/JHA. Hierdoor ontbreekt een rechtsgrondslag voor vrijheidsbeneming. De rechtbank verwierp het standpunt van de officier van justitie dat het EAB van 28 mei 2019 de eerdere vordering zou vervangen, omdat de datum van de vordering niet kan precederen aan de datum van het EAB.
Omdat het EAB van 11 april 2019 niet is ingetrokken en de opgeëiste persoon niet op grond van het latere EAB is aangehouden, berust de overleveringsdetentie nog steeds op het niet-rechterlijk uitgevaardigde EAB. De rechtbank zag daarom geen reden om de beslissing aan te houden voor een zitting en besloot de overleveringsdetentie op te heffen.
Uitkomst: De rechtbank heeft de overleveringsdetentie opgeheven wegens het ontbreken van een rechtsgeldige rechterlijke autoriteit bij het EAB.