ECLI:NL:RBAMS:2019:4099

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
6 juni 2019
Publicatiedatum
11 juni 2019
Zaaknummer
13/684407-18 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing ontnemingsvordering na veroordeling voor diefstal met geweld en afpersing

De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 juni 2019 de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor een voortgezette handeling van diefstal met geweld en afpersing. De ontnemingsvordering betrof het bedrag van €1.700,06, dat volgens de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigt.

Tijdens de terechtzitting op 23 mei 2019 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering en de standpunten van partijen. De verdediging stelde dat de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens een bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak. De rechtbank verwierp dit verweer en baseerde haar oordeel op het vonnis van 6 juni 2019, waarin de veroordeelde schuldig werd bevonden aan diefstal met geweld en afpersing.

De rechtbank stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk is aan het weggenomen bedrag van €1.700,06 en legde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat op. De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Uitkomst: De rechtbank legt de verplichting tot betaling van €1.700,06 aan de Staat op aan de veroordeelde.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/684407-18 (ontneming)
Datum uitspraak: 6 juni 2019
Tegenspraak
VONNIS
Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/684407-18, tegen:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [detentieadres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 23 mei 2019. De onderliggende strafzaak is tegelijkertijd behandeld met deze ontnemingsvordering.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat de veroordeelde en zijn raadsman, mr. T.W. Gijsberts, naar voren hebben gebracht.

2.De vordering

Onderzoek van de zaak
De vordering van de officier van justitie van 29 oktober 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 1.700,06.
Gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, verstaat de rechtbank de vordering aldus dat deze betreft het feit waarvoor de veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld.

3.Grondslag van de vordering

De veroordeelde is in de onderliggende strafzaak bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2019 ter zake van het navolgende strafbare feit veroordeeld.
Onder 1:
Voortgezette handeling van diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en afpersing.

4.Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen, nu veroordeelde een geldbedrag heeft weggenomen van € 1.700,06. Het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft dan ook voormeld bedrag.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk is, omdat verdachte in de onderliggende strafzaak moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank gaat bij de beoordeling en de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het vonnis van 6 juni 2019 [1] . Uit deze veroordeling volgt dat veroordeelde een diefstal met geweld en afpersing heeft gepleegd, waarbij in totaal € 1.700,06 is weggenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat veroordeelde voormeld bedrag wederrechtelijk heeft verkregen. De ontnemingsvordering zal dan ook geheel worden toegewezen en het voordeel zal op grond van voornoemde strafbare feiten worden geschat op € 1.700,06.

5.De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 1.700,06.

6.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.700,06.
Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van
€ 1.700,06 (duizendzevenhonderd euro en zes eurocent)aan de Staat.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.E.A. Nijssen, voorzitter,
mrs. M.F. Ferdinandusse en Y. Moussaoui, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.N. Greeven, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juni 2019.

Voetnoten

1.Vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 6 juni 2019 in de onderliggende strafzaak met parketnummer 13/684407-18.