De rechtbank Amsterdam behandelde op 6 juni 2019 de ontnemingsvordering van de officier van justitie tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor een voortgezette handeling van diefstal met geweld en afpersing. De ontnemingsvordering betrof het bedrag van €1.700,06, dat volgens de officier van justitie het wederrechtelijk verkregen voordeel vertegenwoordigt.
Tijdens de terechtzitting op 23 mei 2019 heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering en de standpunten van partijen. De verdediging stelde dat de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens een bepleite vrijspraak in de onderliggende strafzaak. De rechtbank verwierp dit verweer en baseerde haar oordeel op het vonnis van 6 juni 2019, waarin de veroordeelde schuldig werd bevonden aan diefstal met geweld en afpersing.
De rechtbank stelde vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel gelijk is aan het weggenomen bedrag van €1.700,06 en legde de verplichting tot betaling van dit bedrag aan de Staat op. De beslissing is genomen op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.