Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Waardering van het bewijs
- die slecht bereikbaar was, omdat die waar het de steiger betreft uitsluitend vanuit het bouwwerk door openingen in de gevel kon worden bereikt (art. 3.2 lid 1, Arbobesluit);
- waar de technische schachtruimte niet voorzien was van verlichting (art. 3.9 Arbobesluit);
- waar sprake was van valgevaar, nu een sparing in de roostervloer van de schachtruimte zat en deze sparing niet was afgedekt (art. 3.16 Arbobesluit);
- waar de toegang tot de schachtruimte niet was voorzien van een afscherming, waardoor deze ruimte te betreden was, er een elektrapaddenstoel voor stroomvoorziening aanwezig was, en de toegang niet was voorzien van veiligheids- en waarschuwingssignaleringen waaruit bleek dat in die ruimte valgevaar bestond (artt. 3.13 en 3.15 jo. 8.4 Arbobesluit).
Garantenstellung, waarover hierna meer). Overigens moeten de aard en de ernst van de gevolgen van het tenlastegelegde bij de beoordeling van de mate van schuld buiten beschouwing worden gelaten, hoe tragisch dat gevolg ook is. Wel dient komen vast te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood/het letsel voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als een voorwaarde geldt.
Het is de combinatie van al de tenlastegelegde omstandigheden tezamen die maakt dat [verdachte] in ernstige mate tekort is geschoten in de naleving van de op haar liggende zorgplicht, en waardoor het ongeval heeft kunnen plaatsvinden. Temeer nu aan haar als werkgever en gevelmontagebedrijf hogere zorgvuldigheidseisen kunnen en mogen worden gesteld met betrekking tot de veiligheid van de werknemers aanwezig op de arbeidsplaats, in veel gevallen – zoals in casu – een bouwplaats. Op [verdachte] rustte een bijzondere zorgplicht; de
Garantenstellung.Dat deze omstandigheden aan verdachte als rechtspersoon toegerekend kunnen worden, volgt al uit wat hierover bij feit 1 is overwogen. Door dit alles tezamen, in onderling verband bezien, heeft [verdachte] de op haar rustende zorgplicht voor de veiligheid van [slachtoffer] vermijdbaar en verwijtbaar veronachtzaamd en daarmee aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam gehandeld. [verdachte] had de risico’s en gevolgen die zich hebben voorgedaan toen het misging kunnen en moeten voorzien en had anders en moeten en kunnen handelen. De rechtbank acht daarom bewezen dat het aan de schuld van [verdachte] is te wijten dat [slachtoffer] is komen te overlijden.
4.Bewezenverklaring
5.De strafbaarheid van de feiten
6.De strafbaarheid van verdachte
7.Motivering van de straffen en maatregelen
8.Toepasselijke wettelijke voorschriften
9.Beslissing
[verdachte], daarvoor strafbaar.
geldboetevan
€ 50.000 (vijftigduizend euro).