ECLI:NL:RBAMS:2019:5574

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 juli 2019
Publicatiedatum
29 juli 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7008
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.12 WaboArtikel 4a, tweede lid, Bijlage II BorArtikel 2, onderdeel 3, Bijlage II BorArtikel 1 Bijlage II BorArtikel 4, eerste lid, Bijlage II Bor
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgevingsvergunning voor aanbouw in beschermd stadsgezicht wegens strijd met bestemmingsplan

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning om een aanbouw aan zijn woning te plaatsen. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze aanvraag geweigerd omdat de aanbouw in strijd is met het bestemmingsplan 'Postcodegebied', dat een conserverend karakter heeft en het behoud van openheid in tuinen binnen het beschermd stadsgezicht beoogt.

Eiser betoogt dat zijn tuin volledig omsloten is door muren en dat de aanbouw geen aantasting van het beschermd stadsgezicht vormt. Ook stelt hij dat de belangenafweging door het college onvoldoende inzichtelijk is gemaakt. De rechtbank oordeelt echter dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het belang van het bestemmingsplan en de openheid van de tuin zwaarder te laten wegen dan het belang van eiser bij de aanbouw.

De rechtbank benadrukt dat het beschermd stadsgezicht niet alleen de architectonische voorzijde van gebouwen betreft, maar ook de stedenbouwkundige structuur en de open ruimten tussen gebouwen. De stelling van eiser dat de tuin geen open binnentuin is, leidt niet tot een ander oordeel. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning wordt bekrachtigd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 18/7008

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: mr. B.J. Meruma),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van den Berg).
Partijen worden hierna aangeduid als [eiser] en het college.

Procesverloop

Met een besluit van 17 januari 2018 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van [eiser] om een omgevingsvergunning geweigerd.
Met een besluit van 16 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2019. [eiser] is verschenen en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens het college is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen.

Overwegingen

Wat ging er aan de zaak vooraf?
1. [eiser] is eigenaar van de woning [adres] in [plaatsnaam] . Op 24 november 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een aanbouw aan de achterkant van zijn woning.
2. Het college heeft de aanvraag geweigerd vanwege strijd met het bestemmingsplan. Aan een afwijking van het bestemmingsplan wil het college niet meewerken.
3. In beroep voert [eiser] aan dat de gebruiksmogelijkheid van de tuin wordt belemmerd door schaduwwerking van de bebouwing in de tuinen bij zijn buren. [eiser] stelt verder dat de belangenafweging om niet mee te werken aan de afwijking van het bestemmingsplan niet inzichtelijk is gemaakt. Volgens [eiser] raakt het aangevraagde bouwwerk niet de bescherming van beschermd stadsgezicht. De tuin is volgens [eiser] dan ook geen onderdeel van het beschermd stadsgezicht.
Wat vindt de rechtbank?
4. Het project is gelegen in het gebied waar het bestemmingsplan ‘Postcodegebied [postcode] ’ geldt. De aanbouw is gesitueerd op gronden met de bestemmingen ‘Gemengd-1’ en ‘Tuin-1’. De gronden met de bestemming ‘Gemengd-1’ zijn onder meer bestemd voor wonen. De gronden met de bestemming ‘Tuin-1’ zijn bestemd voor tuinen en erven. Niet in geschil is dat de aanbouw in strijd is met de bestemming ‘Tuin-1’ en dat het bestemmingsplan niet voorziet in een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.
5. De rechtbank stelt vast dat de aanbouw een bijbehorend bouwwerk is als bedoeld in artikel 1 van Pro Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). Het pand van [eiser] ligt in beschermd stadsgezicht. Dit betekent dat de aanbouw niet vergunningvrij kan worden gerealiseerd, maar dat daarvoor een omgevingsvergunning is vereist. [1]
6. Het college wil niet meewerken aan het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan. [2] Het college heeft daarover het volgende overwogen in het bestreden besluit. Er bestaan stedenbouwkundige bezwaren tegen het plaatsen van de aanbouw. Het bestemmingsplan ‘Postcodegebied [postcode] ’ is een conserverend bestemmingsplan. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt dat er maar weinig tuinen binnen het plangebied aanwezig zijn. Ze hebben de bestemming ‘Tuin-1’ of ‘Tuin-2’ gekregen, waarbij ‘Tuin-2’ is bedoeld voor tuinen die direct grenzen aan het water of de openbare ruimte. Voor beide bestemmingen is het uitgangspunt dat de bestaande openheid gehandhaafd moet blijven. Voor de gronden met de bestemming ‘Tuin-1’ heeft het bestemmingsplan een afwijkingsmogelijkheid voor de bouw van schuurtjes. De bestaande aan- en bijgebouwen op de tuinen zijn bestemd tot ‘Tuin-3’. Deze bebouwing mag worden gehandhaafd en geheel worden vernieuwd, maar niet worden vergroot. Bij sloop/nieuwbouw van de hoofdbebouwing dient de bebouwing op gronden met de bestemming ‘Tuin-3’ op hetzelfde bouwperceel ook te worden gesloopt en mag niet worden teruggebouwd. Met het bestemmingsplan wordt dus enerzijds beoogd het beperkt aantal open tuinen dat nog aanwezig is in het plangebied te beschermen tegen bebouwing (bestemmingen ‘Tuin-1’ en ‘Tuin-2’) en anderzijds bij sloop/nieuwbouw te voorkomen dat de bebouwing in de tuin terugkeert (bestemming ‘Tuin-3’). Volgens het college wordt met de aangevraagde aanbouw de openheid aangetast. Om die reden wil het college niet meewerken aan een afwijking van (de uitgangspunten van) het bestemmingsplan. Het college heeft bij de belangenafweging aan het handhaven van het bestemmingsplan daarom meer gewicht toegekend dan aan het belang van [eiser] bij het realiseren van de aanbouw.
7. De rechtbank stelt voorop dat de afweging van belangen en de beslissing om wel of niet mee te werken aan het afwijken van het bestemmingsplan aan het college is. De rechtbank treedt niet zelf in deze beoordeling, maar toetst of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
8. Aangezien het hier een conserverend bestemmingsplan betreft voor een gebied dat niet voor niets is aangewezen als beschermd stadsgezicht, heeft het college het uitgangspunt dat de openheid van de tuin van [eiser] gehandhaafd moet blijven zwaar kunnen laten wegen in de belangenafweging. Dat de aanbouw aan de achterzijde van de woning is gesitueerd en vanaf de straatzijde niet zichtbaar is, geldt voor het merendeel van de gronden met de bestemming ‘Tuin-1’ en leidt niet tot het oordeel dat de tuin van [eiser] niet onder het regime van het beschermd stadsgezicht valt. Het college heeft daarover terecht opgemerkt dat het in een beschermd stadsgezicht niet alleen gaat om de afzonderlijke gebouwen en de architectonische voorzijde van de gebouwen, maar ook om de onderlinge samenhang van gebouwen en de cultuurhistorische waarde en stedenbouwkundige structuur van het gebied. Onder stedenbouwkundige structuur wordt de ruimtelijke opbouw of samenstelling van een gebied verstaan. Het betreft de manier waarop bebouwing, straten, pleinen, water en andere open ruimten ten opzichte van elkaar zijn gesitueerd. De stelling van [eiser] dat er in zijn geval geen sprake is van aantasting van een open binnentuin, omdat zijn tuin volledig wordt omsloten door vier muren, leidt niet tot de conclusie dat het college meer gewicht had moeten toekennen aan het belang van [eiser] . Juist omdat er nog maar weinig tuinen en open binnenterreinen zijn is het uitgangspunt van het bestemmingsplan dat moet worden behouden wat aanwezig is. Op de aangrenzende percelen rust de bestemming ‘Tuin-3’. Op deze bestemming wordt na sloop/nieuwbouw geen nieuwe bebouwing meer toegestaan. Aan de stelling van [eiser] dat zijn beide buren de tuin wel (volledig) bebouwd hebben heeft het college daarom weinig gewicht hoeven toe te kennen.
9. De rechtbank vindt dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het meer gewicht toekent aan (de uitgangspunten van) het bestemmingsplan dan aan het belang van [eiser] bij de aanbouw. Het college heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten niet af te willen wijken van het bestemmingsplan.
10. Het voorgaande betekent dat het college de aanvraag van [eiser] terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt geen gelijk.
11. Aangezien het beroep ongegrond zal worden verklaard bestaat er geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. van der Linden-Kaajan, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Roubiës, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juli 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de Afdeling vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 4a, tweede lid, van Bijlage II bij het Bor, waaruit volgt dat artikel 2, onderdeel 3 van
2.Buitenplans afwijken is in dit geval mogelijk op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a,