ECLI:NL:RBAMS:2019:5954
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens redelijk vermoeden van fraude door onleesbaar maken uitgavenposten
Verzoeker nam deel aan het Amsterdams Experiment Bijstand waarbij hij een deel van zijn arbeidsinkomsten mocht behouden. Na een melding startte verweerder een onderzoek vanwege vermoedens dat verzoeker onjuiste informatie verstrekte over zijn inkomsten en gebruik van een pas. Verzoeker overhandigde bankafschriften met onleesbaar gemaakte uitgavenposten, waardoor niet kon worden vastgesteld of hij recht had op bijstand.
Verweerder schortte de uitkering op en trok deze later per 6 november 2018 in. Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten. De voorzieningenrechter oordeelde dat het vermoeden van fraude gerechtvaardigd was vanwege discrepanties in het uitgavenpatroon, het ontbreken van volledige medewerking en het onleesbaar maken van uitgavenposten.
De rechtbank verwierp het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. Het niet verstrekken van volledige informatie was een schending van de inlichtingenplicht, waardoor de intrekking van de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de Participatiewet terecht was. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.