Uitspraak
1.Het verloop van de procedure
- het verzoek van de vader, binnengekomen ter griffie op 11 april 2019;
- de nagekomen stukken van de vader, binnengekomen ter griffie op 29 april 2019.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Amsterdam
De vader verzocht de rechtbank om te bepalen dat het ouderlijk gezag over zijn minderjarige zoon mede aan hem toekomt en dat de hoofdverblijfplaats van het kind in Nederland ligt. Het kind, met de Nederlandse en Peruaanse nationaliteit, verbleef sinds juli 2018 met de moeder in Peru, nadat de moeder had aangegeven niet terug te keren naar Nederland.
De rechtbank nam kennis van de stukken en hield een zitting waarbij de vader en zijn advocaat werden gehoord; de moeder was niet verschenen. De vader stelde dat hij mede het gezag had op grond van erkenning en feitelijke verzorging, en dat de overbrenging van het kind naar Peru ongeoorloofd was. Hij benadrukte dat het kind zijn gewone verblijfplaats in Nederland had, met Nederlandse taal, vrienden en school.
De rechtbank oordeelde dat op het moment van het verzoek het kind al ruim zeven maanden in Peru verbleef en dat niet was vastgesteld dat sprake was van ongeoorloofde overbrenging. Ook kon niet worden vastgesteld dat de vader formeel gezag had. De moeder had het recht om met het kind in Peru te wonen. Daarnaast was niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 12 lid 3 van Pro Brussel IIbis, omdat de moeder niet had ingestemd met de Nederlandse rechtsmacht.
Daarom verklaarde de rechtbank zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek van de vader. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het Gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd om te oordelen over het verzoek van de vader vanwege het ontbreken van rechtsmacht.