Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:651

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 januari 2019
Publicatiedatum
31 januari 2019
Zaaknummer
13/751369-16
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering Nederlander aan Frankrijk op grond van Europees aanhoudingsbevel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 januari 2019 een vordering tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan Frankrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). De verdachte wordt verdacht van medeplegen van opzetheling en deelname aan een criminele organisatie, waarvoor hij in Frankrijk reeds is veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf.

De rechtbank onderzocht de identiteit van de verdachte, de inhoud en grondslag van het EAB, en beoordeelde de garanties omtrent verzet en hoger beroep conform artikel 6 en Pro 12 van de Overleveringswet (OLW). De rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende informatie bevat over de feiten en dat de verdachte adequaat is geïnformeerd over zijn rechten. Het onschuldverweer werd verworpen wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank concludeerde dat de strafbare feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn en dat de overlevering niet wordt belemmerd door weigeringsgronden, waaronder artikel 13 OLW Pro. Het evenredigheidsverweer faalde omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangetoond. De overlevering werd daarom toegestaan zonder mogelijkheid tot gewoon rechtsmiddel.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de Nederlandse verdachte aan Frankrijk toe voor de uitvoering van een gevangenisstraf van vijf jaar.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751369-16
RK-nummer: 18/8022
Datum uitspraak: 31 januari 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 12 november 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 februari 2016 door de
Procureur de la République à Versailles (District Prosecutor)(Frankrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[naam opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Afghanistan) op [geboortedag] 1981,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvend op het adres
[BRP-adres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 januari 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.E.A. Weitzel.
De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. L.A. Sjadijeva, advocaat te Rotterdam (als waarnemer voor mr. H. Raza).
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een
arrest warrant delivered by Mrs. Laurence JOULIN, investigating judge, vice-president with the HIGH Court of Versaillesvan
November 23th 2015.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan twee naar het recht van Frankrijk strafbare feiten.
Verder heeft
le Procureur de la Républiquebij e-mail van 15 januari 2019 onder meer het volgende medegedeeld:
Finally, I have to inform you that
-
on 06 July 2016 correctional Court in Versailles has condemned [naam opgeëiste persoon] for receiving or concealing goods procured through theft committed by an organized gang and participation in a criminal conspiracy to commit a crime, to a sentence of 5 years imprisonment. He was served with the decision.
-
The 07/13/2016 he used his right to appeal.
-
The 02/15/2018 the Appeal Court of Versailles confirmed the original decision. He was not personally served with the Court.
De rechtbank overweegt dat het EAB – blijkens voornoemde aanvullende informatie – niet langer ziet op een vervolging, maar op de executie van een al opgelegde vrijheidsstraf.
Op grond van de aanvullende informatie wordt de overlevering verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 5 jaren. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis van de
correctional Court in Versaillesvan 6 juli 2016 en in stand gelaten bij het hiervoor genoemde arrest van
the Appeal Court of Versaillesvan 15 februari 2018.
Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.
3.1.
Artikel 6, tweede lid, van de OLW
De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Artikel 6, tweede lid, OLW verbiedt de overlevering van een Nederlander indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf.
De overlevering kan dan ook alleen worden toegestaan indien het vonnis bij verstek is gewezen en de opgeëiste persoon de mogelijkheid geboden wordt enig rechtsmiddel tegen het vonnis in te stellen teneinde in persoon ter terechtzitting te verschijnen.
De rechtbank stelt vast dat het EAB – in samenhang met de aanvullende informatie – strekt tot de tenuitvoerlegging van een arrest terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot het arrest heeft geleid, en dat – kort gezegd – is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, aanhef, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 12, aanhef, sub d, OLW mag de rechtbank in dit geval de overlevering alleen toestaan onder het beding dat de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft vermeld dat
( i) het betreffende vonnis na overlevering onverwijld aan de opgeëiste persoon zal worden betekend en hij uitdrukkelijk zal worden geïnformeerd over zijn recht op een verzetprocedure of een procedure in hoger beroep, waarbij hij het recht heeft aanwezig te zijn, waarop de zaak opnieuw ten gronde wordt behandeld en nieuw bewijsmateriaal wordt toegelaten, die kan leiden tot herziening van het oorspronkelijke vonnis en
( ii) de opgeëiste persoon wordt geïnformeerd over de termijn waarbinnen hij verzet of hoger beroep dient aan te tekenen, als vermeld in het desbetreffende Europees aanhoudingsbevel.
De
Service entraide judiciaire internationaleheeft bij e-mail van 15 januari 2019 onder meer het volgende verklaard:
(…) you have to expressly informed Mister [naam opgeëiste persoon] of his right to a retrial in which he has the right to participate and which allows the merits of the case to be re-examined. Mister [naam opgeëiste persoon] will be informed of the timeframe within which he has to request a retrial, which will be one (1) month (art 492 code Pro of criminal procedure).
To ask a retrial [naam opgeëiste persoon] must either go in person, or to be presented by a lawyer at the Court of Appeal of Versailles, 5 rue Carnot 78000 Versailles, either send a registered letter to the service of the execution of the sentences (service de l’exécution des peines) of the Court of Appeal of Versailles 5 rue Carnot 78000 Versailles.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet deze garantie aan de eisen van artikel 12, aanhef, sub d, OLW en is de in dit artikel bedoelde weigeringsgrond niet van toepassing. Dit betekent dat ook de weigeringsgrond van artikel 6, tweede lid, OLW niet van toepassing is.
3.2.
Genoegzaamheid
3.2.1.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft betoogd dat de stukken ongenoegzaam zijn. Het EAB bevat – beknopte – informatie over de rol die de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten zou hebben gespeeld, maar niet blijkt waar deze verdenking op is gebaseerd.
3.2.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.
In onderhavige zaak is duidelijk waarvoor de overlevering is gevraagd. De opgeëiste persoon wordt er – kort gezegd – van verdacht dat hij zich tussen 16 juni 2012 en 22 oktober 2013 schuldig zou hebben gemaakt aan het medeplegen van opzetheling, waarbij de geheelde goederen in de nacht van 15 op 16 juni 2012 in Frankrijk zouden zijn weggenomen.
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat de feiten daarmee genoegzaam zijn omschreven.
Hierbij merkt de rechtbank op dat – volgens vaste jurisprudentie van deze rechtbank – de uitvaardigende justitiële autoriteit alleen de vermeende betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten duidelijk moet maken. Vermelding van de gronden van de verdenking is niet vereist. Het is niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat de feitsomschrijving er niet toe dient om de opgeëiste persoon tot het voeren van een onschuldverweer in staat te stellen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2010:BN7964).
De rechtbank verwerpt het verweer.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 1, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
En onder nummer 18, te weten:
georganiseerde of gewapende diefstal.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.
De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
Le Procureur de la Républiqueheeft bij e-mail van 15 januari 2019 de volgende garantie gegeven:
(…) [naam opgeëiste persoon] , a Dutch national, will be entitled, in case he is sentenced to a custodial sentence by a final judgment, to serve his prison term in the Netherlands pursuant to the provisions of Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition to judgments in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbare feiten opleveren.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
De bedoelde feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
medeplegen van opzetheling.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW

De rechtbank stelt vast dat het EAB betrekking heeft op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW verbiedt in een dergelijk geval de overlevering voor deze feiten.
De officier van justitie heeft echter overeenkomstig artikel 13, tweede lid, OLW gevorderd dat wordt afgezien van de weigeringsgrond en daartoe de volgende argumenten aangevoerd:
  • het onderzoek is reeds in Frankrijk aangevangen;
  • de opgeëiste persoon is reeds in Frankrijk veroordeeld;
  • de Franse rechtsorde is geschokt, omdat de diefstal daar heeft plaatsgevonden.
Het voorgaande brengt volgens de officier van justitie mee dat uit het oogpunt van een goede rechtsbedeling overlevering aan de Franse autoriteiten dient plaats te vinden en overname van de strafzaak door Nederland niet de voorkeur verdient.
Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten heeft de officier van justitie in redelijkheid tot haar vordering kunnen komen. Er dient dan ook te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, onder a, OLW bedoelde weigeringsgrond.

8.Evenredigheid

8.1.
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft – zakelijk weergegeven – betoogd dat de uitvaardiging van een EAB in de onderhavige zaak in strijd is met de evenredigheid. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de belangen van de opgeëiste persoon niet voldoende in ogenschouw heeft genomen.
8.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is – met de officier van justitie – van oordeel dat het verweer niet slaagt. De rechtbank verwijst naar haar reeds bij uitspraak van 4 maart 2009 gegeven oordeel (ECLI:NL:RBAMS:2009:BH6183), dat gelet op de stelselevenredigheid van het Kaderbesluit een beroep op de onevenredigheid van een EAB slechts onder bijzondere omstandigheden kan slagen. In het onderhavige geval is de rechtbank niet gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat de overlevering dient te worden geweigerd, of dat de behandeling moet worden aangehouden teneinde te laten onderzoeken of er – voor de opgeëiste persoon minder ingrijpende – alternatieven mogelijk zijn. De rechtbank verwerpt het verweer.

9.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro, er een garantie is gegeven als bedoeld in artikel 12, aanhef, sub d, OLW en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 47 en 416 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van de overlevering van
[naam opgeëiste persoon]aan de
Procureur de la République à Versailles (District Prosecutor)wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. A.K. Glerum, voorzitter,
mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.C. Eggink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. N. Wijkman, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 31 januari 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.