De rechtbank Amsterdam behandelde op 20 augustus 2019 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd op 7 mei 2019 door de Onderzoeksrechter te Gent. De opgeëiste persoon, geboren in Tsjechië en houdster van de Bulgaarse nationaliteit, werd verdacht van betrokkenheid bij de teelt van verdovende middelen, bezit, aankoop en vervoer van middelen zonder vergunning, en deelname aan een criminele organisatie.
De verdediging voerde een genoegzaamheidsverweer aan, stellende dat het EAB onvoldoende concreet was over de feiten en de betrokkenheid van de opgeëiste persoon. De rechtbank oordeelde echter dat het EAB voldoende duidelijkheid bood over de pleegplaatsen, pleegperiodes en de mate van betrokkenheid, en dat het voldeed aan de eisen van de Overleveringswet. Het onschuldverweer werd verworpen omdat het niet aannemelijk was gemaakt.
Daarnaast werd het beroep op gelijkstelling met een Nederlander afgewezen omdat de opgeëiste persoon niet aannemelijk had gemaakt rechtmatig en onafgebroken in Nederland te hebben verbleven als economisch niet-actieve Unieburger. De rechtbank concludeerde dat geen duurzaam verblijfsrecht was opgebouwd en dat ook geen afgeleid verblijfsrecht kon worden aangenomen.
Gezien het voldoen aan de wettelijke vereisten en het ontbreken van weigeringsgronden, stond de rechtbank de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.