ECLI:NL:RBAMS:2019:6814
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen mindering bijstandsuitkering wegens kasstortingen als middelen
Eiser maakte bezwaar tegen de mindering van zijn bijstandsuitkering met een bedrag van €2.745,00, bestaande uit kasbetalingen van zijn zoons. Hij voerde aan dat deze stortingen niet als middelen aangemerkt konden worden omdat ze bedoeld waren voor huur, afbetaling van een auto en schuldaflossing.
Verweerder stelde dat de stortingen terecht in mindering zijn gebracht omdat de bijstand een laatste vangnet is en niet bedoeld om schulden af te lossen. De rechtbank overwoog dat volgens artikel 31 van Pro de Participatiewet dergelijke geldstortingen als middelen moeten worden aangemerkt, zeker omdat eiser vrijelijk over het geld kon beschikken.
De rechtbank verwierp het beroep omdat de uitzonderingssituatie uit de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep niet van toepassing was. De lening was onbetwist bedoeld voor schuldaflossing en niet voor levensonderhoud, en de afspraak over de lening werd pas achteraf gemaakt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken.
Uitkomst: Het beroep tegen de mindering van de bijstandsuitkering wegens kasbetalingen als middelen is ongegrond verklaard.