De zaak betreft een geschil tussen een vleesleverancier en een restaurant over de betaling van facturen voor geleverde goederen. De leverancier vordert betaling van openstaande facturen, vermeerderd met rente en incassokosten, terwijl het restaurant stelt dat deze facturen contant zijn voldaan aan een tussenpersoon die de bestellingen doorgeeft.
De kantonrechter stelt vast dat de facturen betrekking hebben op daadwerkelijk geleverde vleesproducten en dat de hoogte van de facturen niet ter discussie staat. Het centrale punt is of de contante betalingen aan de tussenpersoon als bevrijdend kunnen worden beschouwd. De rechtbank concludeert dat het restaurant voldoende heeft onderbouwd dat de facturen contant zijn betaald aan de tussenpersoon, mede doordat op de facturen handtekeningen van deze persoon staan en eerdere betalingen op dezelfde wijze zijn gedaan.
Verder oordeelt de rechtbank dat het restaurant op redelijke gronden mocht aannemen dat de tussenpersoon bevoegd was betalingen te ontvangen namens de leverancier. De leverancier draagt het risico dat de tussenpersoon het geld niet heeft doorgegeven. De vorderingen van de leverancier worden daarom afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.