Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
- het tussenvonnis van 24 april 2019 waarbij een comparitie van partijen is bepaald,
- het proces-verbaal van comparitie van 15 juli 2019 met de daarin genoemde stukken en proceshandelingen.
Rechtbank Amsterdam
Forsteriana exploiteerde een glastuinbouwbedrijf en had in 2008 een kredietfaciliteit bij ING, inclusief een rentevastlening met een rentevastperiode tot maart 2018. ING bracht algemene bepalingen in rekening die een vergoeding voorschrijven bij vervroegde aflossing buiten de rentevastperiode.
Na financiële problemen en meerdere correspondenties over de continuïteit van de onderneming, verkocht Forsteriana in december 2015 haar vastgoed en loste het krediet vervroegd af. ING stuurde een aflosnota met een vergoeding van ruim €108.000, die Forsteriana betaalde maar later terugvorderde.
Forsteriana stelde dat ING haar onder druk had gezet tot verkoop en aflossing, en dat de vergoeding onredelijk was. De rechtbank oordeelde dat de redelijkheid en billijkheid het beroep van ING op de vergoeding niet in de weg staan. De zakelijke aard van partijen, de contractuele afspraken en de bancaire zorgplicht van ING wegen mee.
De rechtbank wees de vordering van Forsteriana af en veroordeelde haar in de proceskosten. Het vonnis bevestigt dat contractuele bepalingen over vervroegde aflossingsvergoedingen ook bij zakelijke partijen gelden, tenzij onaanvaardbaar volgens redelijkheid en billijkheid.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van Forsteriana af en bevestigt dat ING de vergoeding voor vervroegde aflossing mag behouden.