ECLI:NL:RBAMS:2019:7516

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 oktober 2019
Publicatiedatum
10 oktober 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 2428
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens tijdige beslissing op bezwaar zonder afwachting inspecteursbesluit

Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van de Belastingdienst Toeslagen waarin werd vastgesteld dat hij te veel zorg- en huurtoeslag had ontvangen over 2017. Verweerder had het bezwaar ongegrond verklaard en eiser stelde beroep in bij de rechtbank Amsterdam.

De kern van het geschil was of verweerder moest wachten met het nemen van een beslissing op het bezwaar totdat de inspecteur van de Belastingdienst een besluit had genomen over het verzamelinkomen van 2017, dat relevant was voor de toeslagen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet verplicht was te wachten met het bestreden besluit. Dit volgt uit artikel 20 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 januari 2017. Verweerder moest binnen acht weken ambtshalve een nieuw besluit nemen als het verzamelinkomen wijzigde, ongeacht een lopend besluit van de inspecteur.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd mondeling gedaan op 3 oktober 2019.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat verweerder terecht tijdig heeft beslist zonder te wachten op het inspecteursbesluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 19/2428

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 oktober 2019 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. W. Hoebba),
en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de zorgtoeslag en de huurtoeslag over 2017 definitief berekend en aan eiser meegedeeld dat hij een bedrag van
€ 260,- aan te veel ontvangen zorgtoeslag en een bedrag van € 2.208,- aan te veel ontvangen huurtoeslag moet terugbetalen.
Bij besluit van 15 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2019. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De enige beroepsgrond die overblijft na de behandeling op zitting is dat verweerder volgens eiser had moeten wachten met het nemen van een beslissing op bezwaar totdat de inspecteur van de Belastingdienst (de inspecteur) een besluit had genomen over het verzamelinkomen over 2017 naar aanleiding van het door verweerder aan de inspecteur doorgestuurde bezwaarschrift in deze zaak.
3. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van
11 januari 2017 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). [1] In navolging van deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet had hoeven wachten met het nemen van het bestreden besluit totdat de inspecteur een beslissing had genomen naar aanleiding van het doorgezonden bezwaarschrift van 13 november 2018. In artikel 20 van Pro de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen is namelijk bepaald dat bij een aanpassing van het verzamelinkomen verweerder ambtshalve verplicht is binnen acht weken een nieuw besluit te nemen als de wijziging van het verzamelinkomen betekent dat de zorg- en huurtoeslag tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend. Wanneer daar reden toe is, betaalt verweerder ook rente uit.
4. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
5. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van
mr. L. Stoelinga, griffier, op 3 oktober 2019.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 11 januari 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:52).