Eiseres, een rederij, had aanvragen ingediend voor exploitatievergunningen voor bedrijfsvaartuigen in Amsterdam, die door het college van burgemeester en wethouders werden geweigerd vanwege een vergunningenstop (moratorium). Nadat de bezwaarschriften niet tijdig waren behandeld, stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig beslissen en tegen het inhoudelijke besluit. De rechtbank oordeelde dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk was omdat niet aan de wettelijke voorwaarden was voldaan.
Inhoudelijk handhaafde de rechtbank het besluit tot weigering van de vergunningen, waarbij de Regeling uitgifteronde 2022 als nieuwe juridische grondslag werd gehanteerd. Deze regeling stelt een specifieke aanvraagperiode vast, buiten welke aanvragen worden afgewezen. De rechtbank vond deze regeling niet onverbindend en passend binnen de bevoegdheid van het college op grond van de Verordening op het binnenwater 2010.
De rechtbank verwierp de stellingen van eiseres dat de regeling in strijd zou zijn met het rechtszekerheidsbeginsel, de Gemeentewet, het motiveringsbeginsel of dat de regeling onredelijk zou zijn. De vergunningenstop werd als tijdelijk en gerechtvaardigd beoordeeld, met voldoende waarborgen voor een zorgvuldige en transparante nieuwe verdeelprocedure. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.