ECLI:NL:RBAMS:2019:8203

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2019
Publicatiedatum
4 november 2019
Zaaknummer
13/751288-19
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 14 OLWArt. 29 OLW
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel voor drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 oktober 2019 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan Duitsland op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door het Amtsgericht Nürnberg. De opgeëiste persoon, van Duitse nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, wordt verdacht van strafbare feiten met betrekking tot illegale handel in verdovende middelen.

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon vastgesteld en onderzocht of het EAB voldoet aan de vereisten van de Overleveringswet (OLW). De strafbare feiten zijn opgenomen in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, waardoor de toetsing van dubbele strafbaarheid achterwege blijft. De verdediging voerde aan dat de overdracht van de strafvervolging aan Duitsland in strijd zou zijn met het specialiteitsbeginsel en dat de opgeëiste persoon mogelijk zwaarder gestraft zou worden dan in Nederland.

De rechtbank oordeelt dat het EAB niet ziet op de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd en dat het verweer van de verdediging feitelijk geen grondslag heeft. Er zijn geen weigeringsgronden voor overlevering en de rechtbank staat de overlevering toe. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Duitsland toe op grond van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751288-19
RK nummer: 19/4885
Datum uitspraak: 31 oktober 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 20 augustus 2019 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 juni 2019 door
Amtsgericht Nürnberg(Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren te [geboorteplaats] (Duitsland) op [geboortedag] 1971,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
uit anderen hoofde gedetineerd in het [naam detentiecentrum] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 17 oktober 2019. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M.L.E. Mcgivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. Temminck-Tuinstra, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Duitse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Duitse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel van het
Amtsgericht Nürnberg- onderzoeksrechtbank van 12 oktober 2018 (referentienummer: 59 Gs 9701/18).
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duitse recht strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 5, te weten:
Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.
5.
Artikelen 47 en 49 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, het specialiteitsbeginsel en de weigeringsgrond van artikel 14 OLW Pro
De raadsvrouw heeft ter zitting het volgende – kort samengevat – aangevoerd. Tegen de opgeëiste persoon is in Nederland een separate strafzaak aanhangig die betrekking heeft op feiten die zich in Nederland hebben voorgedaan. Het Openbaar Ministerie is voornemens om de strafvervolging in die zaak en de in die zaak in beslag genomen voorwerpen aan de Duitse autoriteiten over te dragen. De raadsvrouw stelt dat de overdracht van de strafvervolging strijd oplevert met het specialiteitsbeginsel. De officier van justitie dient ingevolge artikel 14, derde lid, OLW aanvullende toestemming te verlenen om de opgeëiste persoon voor deze feiten te berechten. Tegen een dergelijke beslissing bestaat geen doeltreffende voorziening in rechte en dit klemt temeer nu de officier van justitie volgens recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie geen rechterlijke autoriteit is. Ook dreigt de opgeëiste persoon door de overdracht van deze zaak aan de Duitse autoriteiten een zwaardere straf te krijgen dan hij zou krijgen als hij in Nederland zou worden berecht. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om de overlevering te weigeren dan wel om in de uitspraak op te nemen dat geen toestemming zal worden verleend voor de vervolging van de aanvullende feiten in Duitsland.
De officier van justitie heeft gemotiveerd geconcludeerd tot verwerping van het verweer.
De rechtbank overweegt het volgende.
Het overleveringsverzoek dat in deze procedure aan de orde is ziet blijkens het EAB niet (mede) op de feiten waarvoor de opgeëiste persoon in Nederland wordt vervolgd. De rechtbank stelt met de raadsvrouw vast dat er sprake is van een voornemen van de officier van justitie om de Nederlandse strafzaak aan de Duitse autoriteiten over te dragen. Gelet daarop doet zich de door raadsvrouw opgeworpen vraag nu niet voor. Het op de stelling van de raadsvrouw gebaseerde verweer mist dan ook feitelijke grondslag en wordt verworpen.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat tegen een kennisgeving van een voorstel aan de Minister van Justitie en Veiligheid tot overdracht van de strafvervolging aan een vreemde staat als bedoeld in artikel 5.3.5. in samenhang met artikel 5.3.1., vijfde lid, Wetboek van Strafvordering. beklag open staat bij het gerechtshof.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 14 OLW.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan
Amtsgericht Nürnberg(Duitsland)
.
Aldus gedaan door
mr. C. Klomp, voorzitter,
mrs. N.M. van Waterschoot en A.R.P.J. Davids rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 31 oktober 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.