Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
“… heeft nageleten […] een goed arbeidsomstandighedenbeleid te voeren…” en
“… er niet voor heeft gezorgd dat de steiger werd gedemonteerd en/of onderhouden en/of gedemonteerd door (een) werknemer(s) die daarvoor de juiste opleidingen had(den) voltooid…” in het eerste en tweede gedachtestreepje, partieel nietig dient te worden verklaard. Volgens de verdediging voldoen deze onderdelen van de tenlastelegging niet aan de eisen van artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering nu de bewoordingen ‘een goed arbeidsomstandighedenbeleid’ en ‘de juiste opleidingen’ te algemeen zijn geformuleerd en daarmee onvoldoende duidelijk is wat verdachte wordt verweten. De zinsneden uit de tenlastelegging zijn onvoldoende feitelijk zoals bedoeld in artikel 261 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
4.Waardering van het bewijs
Vooral bij gevaarlijke steigers moet altijd een tekening erbij hebben van te voren…Ik heb geen tekening gezien.” [13] Ook getuige [naam 2] heeft, ondanks dat hij daar specifiek naar heeft gevraagd, geen tekening gezien. [14]
- waar sprake was van valgevaar, nu geen voorzieningen zijn getroffen om dit gevaar tegen te gaan. [slachtoffer] was gezekerd aan de hangsteiger en niet in het bezit van een reddingsvest of dergelijke voorziening. Daarnaast was de locatie niet voorzien van een doelmatig hekwerk waardoor valgevaar niet werd beperkt (art. 3.16 Arbobesluit) en,
- waarbij was nagelaten voor de betreffende steiger voorzieningen aan te brengen waardoor de steiger onvoldoende stabiel was en kon loskomen van de sluisdeur (art. 3.28, Arbobesluit) en,
- waarvoor geen sterkte- en stabiliteitsberekening was opgemaakt en geen montage, demontage en ombouwschema beschikbaar was, terwijl het om een complexe hangsteiger ging en deze door een onbevoegd persoon is opgebouwd, ingrijpend is gewijzigd en afgebroken (art. 7.23b Arbobesluit).
Garantenstellung, waarover hierna meer). Overigens moeten de aard en de ernst van de gevolgen van het tenlastegelegde bij de beoordeling van de mate van schuld buiten beschouwing worden gelaten, hoe tragisch dat gevolg ook is. Wel dient vast komen te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood/het letsel voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog steeds als een voorwaarde geldt.
Garantenstellung.Dat deze omstandigheden aan verdachte als rechtspersoon toegerekend kunnen worden, volgt al uit wat hierover bij feit 2 is overwogen.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van de feiten
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straf
9.Toepasselijke wettelijke voorschriften
10.Beslissing
[verdachte] ,daarvoor strafbaar.
€ 75.000,-(
vijfenzeventigduizend euro).
groot € 25.000,-, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.