Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:8474

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 oktober 2019
Publicatiedatum
12 november 2019
Zaaknummer
C/13/672371 / KG ZA 19-971
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing proceskostenveroordeling na intrekking kort geding over statutenfusie

Vivendi heeft op 16 september 2019 een kort geding aangespannen tegen MFE met betrekking tot een statutenwijziging in het kader van een fusie van MFE met Mediaset Italië en Spanje. Vivendi vorderde een verbod op de invoering van bepaalde statutenartikelen. Op 14 oktober 2019 trok Vivendi het kort geding in, omdat de Spaanse rechter op 11 oktober 2019 een voorlopige schorsing van het fusiebesluit had uitgesproken en de Italiaanse rechter op korte termijn ook uitspraak kon doen.

MFE verzocht daarop om een proceskostenveroordeling ten laste van Vivendi, stellende dat de intrekking was ingegeven door de inhoud van haar conclusie van antwoord. De rechtbank oordeelde dat de intrekking een legitieme reden had en dat de late intrekking niet aan Vivendi te verwijten viel, aangezien de relevante rechterlijke beslissingen pas kort voor de intrekking bekend waren geworden.

De rechtbank verwierp het betoog van MFE dat de conclusie van antwoord de reden voor intrekking was, mede omdat de Spaanse rechter had geoordeeld dat de statuten mogelijk misbruik van recht opleverden. De voorzieningenrechter wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af en sprak geen oordeel uit over het onderliggende geschil over de verenigbaarheid van de statuten met het Nederlandse recht.

Uitkomst: Het verzoek tot proceskostenveroordeling ten laste van Vivendi wordt afgewezen wegens legitieme intrekking van het kort geding.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel
zaaknummer / rolnummer: C/13/672371 / KG ZA 19-971 MDvH/MV
Vonnis in kort geding van 31 oktober 2019
in de zaak van
de vennootschap naar buitenlands recht
VIVENDI S.A.,
gevestigd te Parijs (Frankrijk),
eiseres,
advocaat mr. E.D. van Geuns te Amsterdam,
tegen
de naamloze vennootschap
MEDIASET INVESTMENT N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde,
advocaat mr. R.G.J. de Haan te Amsterdam.
Partijen zullen hierna Vivendi en MFE worden genoemd.

1.De procedure

Op 16 september 2019 heeft Vivendi een kort geding aangevraagd tegen MFE dat zou plaatsvinden op woensdag 16 oktober 2019.
Bij per e-mail verzonden brief van 14 oktober 2019 heeft de raadsman van Vivendi het kort geding ingetrokken.
Bij brief van 15 oktober 2019 heeft de raadsman van MFE de voorzieningenrechter verzocht om ten laste van Vivendi een proceskostenveroordeling uit te spreken.
Bij brief van 25 oktober 2019 van mr. Geuns is hiertegen namens Vivendi bezwaar gemaakt.
Vervolgens zijn de raadslieden van partijen er per e-mail van in kennis gesteld dat op 31 oktober 2019 vonnis wordt gewezen.

2.De beoordeling

2.1.
Onder punt 9.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie is, in navolging van HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1087, voorzien in de mogelijkheid om na intrekking van een kort gedingprocedure een proceskostenveroordeling op te leggen. Uit dit arrest volgt dat partijen in dat geval griffierecht zijn verschuldigd.
2.2.
Het is echter niet zonder meer gezegd dat de gedaagde partij, die tijdig zijn verzoek heeft ingediend om ten laste van de eisende partij een proceskosten-veroordeling uit te spreken, die ook daadwerkelijk verkrijgt. Hiervoor moet worden bezien om welke reden(en) de intrekking heeft plaatsgevonden.
2.3.
Het kort geding ging kennelijk over een statutenwijziging die MFE wilde doorvoeren in verband met een fusie van MFE met Mediaset Italië en Mediaset Spanje. Vivendi vorderde, zo blijkt uit haar intrekkingsbrief, een verbod op het invoeren van bepaalde artikelen van die nieuwe statuten. In de brief van maandag 14 oktober 2019 heeft mr. Geuns namens Vivendi als reden voor intrekking van het kort geding – kort gezegd – opgenomen dat de Spaanse rechter kort daarvoor (op vrijdag 11 oktober 2019) een voorlopige schorsing heeft uitgesproken van het fusiebesluit. Daarnaast is volgens de brief recentelijk (op 10 oktober 2019) gebleken dat ook de Italiaanse rechter op korte termijn uitspraak kan doen op de vordering om het besluit tot fusie te schorsen. Gezien deze twee ontwikkelingen is het niet onmiddellijk nodig om thans in Nederland een voorlopige voorziening te verkrijgen over de statutenwijziging die zou worden doorgevoerd in het kader van een deze fusie, aldus Vivendi.
2.4.
Geoordeeld wordt dat de door Vivendi aangevoerde reden niet anders kan worden gezien dan als een legitieme reden om het kort geding in te trekken. Dat dit pas op een laat moment is gebeurd (nadat MFE al kosten had gemaakt), valt niet aan Vivendi te verwijten; de reden voor de intrekking was immers pas op vrijdag 11 oktober 2019 bekend en de intrekking heeft op maandag 14 oktober 2019 plaatsgevonden.
2.5.
Het betoog van MFE dat de inhoud van haar conclusie van antwoord de (eigenlijke) reden voor de intrekking is geweest, overtuigt niet. De stelling van MFE dat Vivendi naar aanleiding van die conclusie van antwoord heeft ingezien dat haar stelling dat de nieuwe statuten in strijd met het Nederlandse vennootschapsrecht zijn, volstrekt onhoudbaar is, is niet goed te begrijpen tegen de achtergrond dat de Spaanse rechter heeft geoordeeld dat de voorgestelde statuten voorshands – kort gezegd – misbruik van recht opleveren, zoals Vivendi in haar intrekkingsbrief reeds had vermeld. Ook overigens lijkt dit onwaarschijnlijk gezien de korte tijd tussen de ontvangst van de (omvangrijke) conclusie van antwoord en het verzenden van de intrekkingsbrief.
2.6.
Dit leidt ertoe dat het verzoek van MFE om ten laste van Vivendi een proceskostenveroordeling uit te spreken zal worden afgewezen. Dit vonnis houdt overigens geen enkel oordeel in over het onderliggende geschil over de verenigbaarheid van de statuten met het Nederlandse recht.

3.De beslissing

De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde proceskostenveroordeling.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2019. [1]

Voetnoten

1.type: MV