De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 februari 2019 een verzoek tot overlevering van een persoon met de Nederlandse en Russische nationaliteit aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB was uitgevaardigd wegens verdenking van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, strafbare feiten volgens het Belgische recht en opgenomen in de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet.
De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en beoordeelde de geldigheid van het EAB. De Belgische autoriteiten gaven een garantie dat, indien de opgeëiste persoon in België onherroepelijk tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal ondergaan. De rechtbank achtte deze garantie voldoende en stelde vast dat het feit ook strafbaar is volgens Nederlands recht.
Hoewel de raadsman van de opgeëiste persoon aandacht vroeg voor mogelijke schendingen van mensenrechten door overbevolking in Belgische gevangenissen, oordeelde de rechtbank dat er geen objectieve en betrouwbare gegevens waren die een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling aantoonden. Het verzoek tot aanhouding voor nadere vragen over detentieomstandigheden werd daarom afgewezen.
De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.