Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2019:863

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
1 februari 2019
Publicatiedatum
11 februari 2019
Zaaknummer
13/752035-18
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 Wetboek van StrafrechtArt. 10a OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tot overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel wegens deelname aan criminele organisatie en drugshandel

De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 februari 2019 een verzoek tot overlevering van een persoon met de Nederlandse en Russische nationaliteit aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). Het EAB was uitgevaardigd wegens verdenking van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen, strafbare feiten volgens het Belgische recht en opgenomen in de lijst van bijlage 1 bij de Overleveringswet.

De rechtbank stelde de identiteit van de opgeëiste persoon vast en beoordeelde de geldigheid van het EAB. De Belgische autoriteiten gaven een garantie dat, indien de opgeëiste persoon in België onherroepelijk tot een vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal ondergaan. De rechtbank achtte deze garantie voldoende en stelde vast dat het feit ook strafbaar is volgens Nederlands recht.

Hoewel de raadsman van de opgeëiste persoon aandacht vroeg voor mogelijke schendingen van mensenrechten door overbevolking in Belgische gevangenissen, oordeelde de rechtbank dat er geen objectieve en betrouwbare gegevens waren die een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling aantoonden. Het verzoek tot aanhouding voor nadere vragen over detentieomstandigheden werd daarom afgewezen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldoet en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan België toe op basis van het Europees aanhoudingsbevel.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752035-18
RK-nummer: 18/8236
Datum uitspraak: 1 februari 2019
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van Pro de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 december 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 15 november 2018 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren te [geboorteplaats] (Rusland) op [geboortedag] 1993,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] ,
thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 januari 2019. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft.
De opgeëiste persoon is niet ter zitting verschenen. De raadsman van de opgeëiste persoon, mr. K.H.T. van Gijssel, advocaat te Amsterdam, heeft verklaard dat de opgeëiste persoon hem uitdrukkelijk heeft gemachtigd namens hem het woord te voeren.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht en vastgesteld dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat de opgeëiste persoon de Nederlandse en Russische nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een aanhoudingsbevel bij verstek van 15 november 2018.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feit.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4.Strafbaarheid

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft gesteld dat sprake is van strafbare feiten als vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW, namelijk feiten die op deze lijst vallen onder nummer 1 en 5, te weten:
deelneming aan een criminele organisatieen
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is hierop naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, als naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, als hij voor het feit waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.
De procureur des Konings heeft bij brief van 17 januari 2019 de volgende garantie gegeven:
overeenkomstig artikel 5 §3 van het Kaderbesluit d.d. 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u overgeleverde Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu de Nederlandse onderdaan [opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om deze straf of maatregel daar te ondergaan.
De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909.JBZ).
Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien het feit ook naar Nederlands recht een strafbaar feit oplevert.
Aan deze voorwaarde is voldaan.
Het onder 4 bedoelde feit is inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en levert op:
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven en
  • om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

6.Detentieomstandigheden

Ter zitting heeft de raadsman van de opgeëiste persoon aandacht gevraagd voor een bericht in De Telegraaf van 17 januari 2019 met daarin verslaggeving over de Brusselse rechtbank die de Belgische Staat op 9 januari 2019 zou hebben veroordeeld voor de overbevolking in de gevangenissen van de Brusselse gemeenten Vorst en Sint-Gillis. Dwangsommen zullen volgen als de situatie niet binnen zes maanden is herzien, aldus een Franstalige advocatensite.
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat België ook meermalen door het EHRM is veroordeeld. De raadsman acht het niet uitgesloten dat de opgeëiste persoon naar een van genoemde gevangenissen zal gaan en verzoekt aanhouding teneinde meer duidelijkheid te krijgen over de gang van zaken na overlevering.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kritiek van de Brusselse rechtbank niet direct betekent dat een detentiecentrum niet voldoet aan de minimumeisen als bedoeld in het beoordelingskader in de zaak Muršić (EHRM 20 oktober 2017, 7334/13), het dient slechts ter verbetering. Een algemeen risico op een onmenselijke of vernederende behandeling staat niet vast. Niet is gebleken dat de situatie in Belgische gevangenissen slechter is dan een maand geleden. Bovendien zijn er geen aanwijzingen dat de opgeëiste persoon zal worden geplaatst in een van de in het krantenartikel genoemde gevangenissen, aldus de officier van justitie.
De rechtbank wijst het verzoek om aanhouding ten behoeve van nadere vragen aan de Belgische autoriteiten betreffende detentieomstandigheden af. Een algemeen en reëel gevaar voor schending van mensenrechten dient te volgen uit objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden die heersen in de uitvaardigende lidstaat. Een enkele verwijzing naar een - niet overgelegd - krantenartikel is daartoe onvoldoende.

7.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 140 Wetboek van Strafrecht, 10a Opiumwet en 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van [opgeëiste persoon] aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt (België) ten behoeve van het in België tegen hem gerichte strafrechtelijk onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. E.G. Fels, voorzitter,
mrs. C. Klomp en Ch.A. van Dijk, rechters,
in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 februari 2019.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.