Eiser lijdt aan een zeldzame chronische ziekte met ernstige mobiliteitsbeperkingen en ontving in 2017 van de gemeente Amsterdam een persoonsgebonden budget (pgb) voor de aanschaf van een scootmobiel. In plaats daarvan kocht hij een auto en vroeg hij vergoeding voor de parkeerkosten en vervoerskosten.
De gemeente wees de aanvraag af op basis van een advies van het Indicatieadviesbureau (IAB) uit juli 2017, dat stelde dat eiser gebruik kon maken van aanvullend openbaar vervoer (AOV) en een scootmobiel. Deze afwijzing werd eerder bevestigd door de rechtbank en de Centrale Raad van Beroep (CRvB).
Eiser voerde aan dat hij ook ’s nachts vervoersbehoefte heeft die niet door scootmobiel en AOV wordt gedekt. De rechtbank overwoog dat dit standpunt reeds eerder is beoordeeld en verworpen, waarbij de CRvB het oordeel bevestigde. Bovendien is de looptijd van het pgb voor scootmobiel zes jaar, waardoor geen nieuwe vervoersvoorziening wordt toegekend zonder gewijzigde omstandigheden.
De rechtbank stelde vast dat eiser geen nieuwe medische informatie had aangeleverd die een wijziging van zijn situatie aannemelijk maakt. Daarom was er geen aanleiding voor de gemeente om een nieuwe beoordeling te laten uitvoeren. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.